Wet militair tuchtrecht
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
Artikel 2
Artikel 3
a. gedurende de tijd waarin de militair dienst doet of behoort te doen;
b. op een militaire plaats;
c. anders dan in de gevallen, genoemd onder a en b, indien en voorzover de rijkswet de toepassing voorschrijft.
2. Onder de tijd waarin de militair dienst doet of behoort te doen, wordt in deze rijkswet mede verstaan de tijd waarin de militair in uniform gekleed gaat.
3. Onder militaire plaats wordt in deze rijkswet verstaan een gebouw, terrein, vaartuig, luchtvaartuig of voertuig, dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht, of dat de militair tot verblijf of gebruik dient bij de vervulling van zijn taak in internationaal verband of waar de militair zich in krijgsgevangenschap bevindt.
Artikel 4
2. In deze rijkswet wordt onder beklagmeerdere verstaan de onmiddellijk boven de commandant gestelde bevelvoerende meerdere. Onze Minister van Defensie kan bij ministeriële regeling andere militairen aanwijzen als beklagmeerderen. In dat geval treedt de onmiddellijk boven de commandant gestelde bevelvoerende meerdere niet meer op als beklagmeerdere.
Artikel 5
Artikel 5a
a. andere militair: de vreemde militair die behoort tot dat internationaal militair samenwerkingsverband;
b. krijgsmacht: dat internationaal militair samenwerkingsverband.
Hoofdstuk II
Gedragsregels
§ 1
Gedragingen tegen de geheimhoudingsplicht
Artikel 6
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
§ 2
Gedragingen waardoor de militair dienstverplichtingen niet nakomt
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
§ 3
Gedragingen waardoor de militair het functioneren van de krijgsmacht belemmert
Artikel 12
Artikel 13
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
Artikel 14
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
§ 4
Gedragingen tegen het dienstbevel
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
§ 5
Gedragingen tegen het dienstvoorschrift
Artikel 18
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats, indien het in het dienstvoorschrift gegeven ge- of verbod betrekking heeft op het gedrag van de militair die zich voor de uitoefening van zijn dienst buiten Nederland bevindt.
Artikel 19
§ 6
Gedragingen tegen de persoon
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
§ 7
Ambtsmisdragingen
Artikel 24
Artikel 25
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
Artikel 26
a. weerhoudt van het ter kennis van de commandant brengen van een inbreuk op een gedragsregel, omschreven in deze rijkswet;
b. overhaalt tot het valselijk ter kennis van de commandant brengen van een inbreuk op een gedragsregel, omschreven in deze rijkswet;
c. overhaalt tot of weerhoudt van het instellen van beroep, het doen van een beklag of het indienen van een verzoek.
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
Artikel 27
Artikel 28
§ 8
Gedragingen tegen de orde
Artikel 29
Artikel 30
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 33
2. In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die buiten een militaire plaats in uniform deelneemt aan een betoging, tenzij deze in het land waar de militair is aangesteld dan wel waar hij als dienstplichtige in werkelijke dienst is gekomen plaatsvindt en uitsluitend tot onderwerp heeft de voor de militairen algemeen geldende arbeidsvoorwaarden.
Artikel 34
Artikel 35
2. Het eerste lid is mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
§ 9
Misdragingen in verband met goederen en diensten
Artikel 36
2. Voorzover het goederen of diensten van de krijgsmacht betreft is het eerste lid mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en die zich niet bevindt op een militaire plaats.
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 39
2. Voorzover het een goed in gebruik bij of ten behoeve van de krijgsmacht betreft is het eerste lid mede van toepassing op de militair die geen dienst doet of behoort te doen, en zich niet bevindt op een militaire plaats.
Artikel 40
Hoofdstuk III
Straffen
Artikel 41
a. berisping;
b. geldboete;
c. strafdienst;
d. uitgaansverbod.
Artikel 42
2. De tenuitvoerlegging van de berisping geschiedt door de uitreiking van het geschrift tegelijk met de uitreiking van het afschrift van de uitspraak.
Artikel 43
2. Een geldboete kan niet worden opgelegd indien daardoor de som van de geldboetes, ingevolge deze rijkswet in een kalendermaand aan de militair opgelegd, een bedrag van € 700 dan wel ANG 1540, AWG 1540 onderscheidenlijk USD 860 te boven zou gaan.
3. Ingeval de schending van een gedragsregel plaatsvindt terwijl de militair deelneemt aan een operatie in internationaal verband buiten het Koninkrijk is, in afwijking van het eerste lid, het bedrag van de geldboete ten hoogste € 700 dan wel ANG 1540, AWG 1540 onderscheidenlijk USD 860. Een geldboete met toepassing van de voorgaande volzin kan niet worden opgelegd indien daardoor de som, bedoeld in het tweede lid, een bedrag van € 1400 dan wel ANG 3080, AWG 3080 onderscheidenlijk USD 1720 te boven zou gaan.
Artikel 44
2. De commandant kan de gestrafte op zijn verzoek eenmaal uitstel van betaling verlenen voor ten hoogste achtentwintig dagen.
3. De geldboete moet in ieder geval worden betaald als het feitelijk verblijf onder de wapenen van de gestrafte eindigt.
Artikel 45
2. De inhouding geschiedt door de functionaris belast met de uitbetaling van de militaire bezoldiging.
3. Op het in te houden bedrag wordt een toeslag berekend van tien procent met een minimum van € 0,45, ANG 1, AWG 1, onderscheidenlijk USD 1 welke op gelijke wijze als de geldboete op de aan een gestrafte toekomende bezoldiging wordt ingehouden.
Artikel 46
Artikel 47
2. De strafdienst wordt opgelegd voor de duur van ten hoogste drie uren op ten hoogste tien werkdagen.
3. Een militair ondergaat op dezelfde dag niet meer dan een straf van strafdienst.
4. Een militair ondergaat per kalendermaand de straf van strafdienst niet gedurende meer dan vijftien werkdagen.
5. Indien een militair op grond van het bepaalde in het vorige lid in een kalendermaand een hem opgelegde straf van strafdienst niet volledig ondergaat, zal hij het resterende deel in de volgende kalendermaand ondergaan.
6. De tenuitvoerlegging van de strafdienst vangt zo spoedig mogelijk aan na de uitreiking van het afschrift van de uitspraak en vindt voor zover mogelijk plaats op achtereenvolgende werkdagen. Strafdienst wordt niet ten uitvoer gelegd tijdens verlofdagen.
7. Het ondergaan van de straf van strafdienst is dienst.
8. In geval van ontslag uit de militaire dienst eindigt de tenuitvoerlegging van de strafdienst van rechtswege op het moment waarop dat ontslag ingaat.
9. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan de beklagmeerdere het feitelijk verblijf onder de wapenen van degene die de straf van strafdienst ondergaat, verlengen totdat die straf is ondergaan.
10. Op de dag waarop de straf van uitgaansverbod wordt ondergaan, kan niet ook de straf van strafdienst worden ondergaan.
11. Onttrekking aan strafdienst schorst van rechtswege de straf.
Artikel 48
2. Aan de militair die gestraft is met de straf van uitgaansverbod, kan worden opgedragen gedurende de tijd, dat hij die straf ondergaat, dienst te verrichten in overeenstemming met zijn rang, stand of functie.
3. Het uitgaansverbod wordt opgelegd voor de duur van ten hoogste vier aaneengesloten dagen.
4. Een militair ondergaat per kalendermaand de straf van uitgaansverbod niet gedurende meer dan acht dagen, en voor zover de tenuitvoerlegging geheel of ten dele in het weekend plaatsvindt, gedurende niet meer dan twee opeenvolgende weekenden.
5. Het derde, vijfde, zevende, achtste, negende, tiende en elfde lid van artikel 47 zijn van overeenkomstige toepassing. Het zesde lid van artikel 47 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de tenuitvoerlegging ook plaatsvindt op vrije dagen niet zijnde verlofdagen.
6. Ingeval schending van de gedragsregel van artikel 7 wordt afgedaan met toepassing van artikel 79, eerste lid, of indien er nog geen 90 dagen zijn verlopen nadat aan de militair een uitspraak is uitgereikt waarin hij schuldig werd verklaard aan schending van diezelfde gedragsregel is, indien de straf van uitgaansverbod wordt opgelegd, in afwijking van het derde en vierde lid, het aantal op te leggen dagen ten hoogste acht en het aantal in een kalendermaand te ondergane dagen uitgaansverbod ten hoogste twaalf.
Hoofdstuk IV
Strafbevoegdheid
Artikel 49
a. de bevelvoerende militair van een oorlogsschip, inrichting van de zeemacht, compagnie, eskadron, batterij of squadron;
b. de door Onze Minister van Defensie aangewezen bevelvoerende militair van een andere militaire eenheid dan onder a genoemd.
2. Aan boord van een oorlogsschip komt de bevoegdheid tot het opleggen van straffen aan militairen, die op dat schip zijn ingescheept, uitsluitend toe aan de bevelvoerende militair van dat schip.
3. Indien een bevelvoerende militair als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, zelf degene is van wie wordt vermoed dat hij een in deze rijkswet omschreven gedragsregel heeft geschonden, komt de bevoegdheid tot het opleggen van straffen toe aan de onmiddellijk boven hem gestelde bevelvoerende meerdere.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van straffen komt toe aan de onmiddellijk boven een in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair gestelde bevelvoerende meerdere indien het betreft een in een van de artikelen 20-23 omschreven gedraging tegen de persoon van de in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair.
5. Indien een militair van wie wordt vermoed dat hij een in deze rijkswet omschreven gedragsregel heeft geschonden hoger of ouder in rang is dan de in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair komt de bevoegdheid tot het opleggen van straffen toe aan de onmiddellijk boven laatstbedoelde militair gestelde bevelvoerende meerdere van hogere rang dan eerstbedoelde militair.
6. Indien in de gevallen bedoeld in het derde, vierde of vijfde lid de aldaar aangewezen bevelvoerende militair geen tuchtproces kan doen aanvangen binnen de in artikel 53, eerste lid, genoemde termijn, wordt:
a. het tuchtproces gehouden door de in het eerste lid bedoelde bevelvoerende militair zelf in het geval bedoeld in het vierde lid;
b. deze termijn verlengd met 21 dagen in de gevallen bedoeld in het derde of vijfde lid.
Artikel 50
a. de commandant;
b. de beklagmeerdere.
2. Bij tenietdoening of vermindering van de straf dan wel wijziging in de straf van berisping of in een beslissing als bedoeld in artikel 74, derde lid, is artikel 98 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor gerecht wordt gelezen degene die vermindert, teniet doet, wijzigt of beslist geen straf op te leggen.
Hoofdstuk V
Het tuchtproces
Titel I
Het tuchtproces in eerste aanleg
§ 1
Begin en einde van het tuchtproces in eerste aanleg
Artikel 51
2. De commandant behoudt een afschrift van de beschuldiging.
3. De datum van de uitreiking wordt aangetekend op het afschrift bedoeld in het voorgaande lid.
4. Terzake van dezelfde gedraging kan slechts eenmaal een beschuldiging worden uitgereikt.
5. Wijziging van de beschuldiging is voor de aanvang van het onderzoek mogelijk. In geen geval worden wijzigingen toegelaten die ten gevolge hebben dat de beschuldiging niet langer dezelfde gedraging in de zin van artikel 52, onder b zou inhouden. De wijziging wordt onverwijld, doch in ieder geval voor de aanvang van het onderzoek, aan de beschuldigde schriftelijk meegedeeld.
Artikel 52
a. de naam, rang en militaire eenheid van de betreffende militair;
b. de omschrijving van een of meer gedragingen die vermoedelijk de schending van een of meer gedragsregels inhouden met vermelding van feiten en omstandigheden waarop dat vermoeden is gegrond en met opgave van tijd en plaats waarop die gedraging of gedragingen hebben plaatsgevonden;
c. de mededeling dat de commandant heeft besloten terzake een onderzoek te houden;
d. het artikel of de artikelen op grond waarvan de beschuldiging wordt uitgereikt.
Artikel 53
2. Geen beschuldiging wordt uitgereikt aan degene die feitelijk niet meer onder de wapenen verblijft.
3. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt 60 dagen indien in de beschuldiging is aangegeven dat de gedraging heeft plaatsgevonden terwijl de militair deelneemt aan een operatie in internationaal verband buiten het Koninkrijk en de militair en de commandant zich om redenen van dienst niet in hetzelfde land bevinden op het tijdstip waarop de gedraging volgens de beschuldiging eindigde.
4. Voor de bepaling van de duur van de termijn waarbinnen een beschuldiging kan worden uitgereikt als bedoeld in het eerste lid, worden de dagen waarop verlof is verleend aan de militair aan wie de commandant voornemens is een beschuldiging uit te reiken, of de dagen waarop deze militair door ziekte of ongeoorloofde afwezigheid niet bij zijn eenheid aanwezig is, niet meegeteld.
5. Geen beschuldiging wordt uitgereikt indien uit feiten of omstandigheden blijkt of redelijkerwijze moet worden vermoed dat er 60 dagen zijn verlopen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden.
6. Ingeval toepassing is gegeven aan artikel 78, eerste lid, of 79, eerste lid, wordt de in het vijfde lid genoemde termijn met 30 dagen verlengd.
7. Een beschuldiging, uitgereikt in strijd met de voorgaande leden, wordt ingetrokken.
Artikel 54
a. met een beslissing als bedoeld in de artikelen 53, zevende lid, 76, eerste lid, 78, tweede lid, of 80, zesde lid;
b. van rechtswege indien er na 21 dagen sedert de aanvang van het tuchtproces geen beslissing is genomen als bedoeld in artikel 76, eerste lid, behoudens de verlenging van deze termijn ingevolge de artikelen 59, tweede lid, 64, tweede of derde lid, of 80, eerste lid;
c. van rechtswege bij ontslag uit de militaire dienst.
2. Behoudens in het geval uitspraak is gedaan als bedoeld in artikel 76, eerste lid, deelt de commandant aan de beschuldigde schriftelijk mee dat het tuchtproces is geëindigd.
Artikel 55
§ 2
De vertrouwensman
Artikel 56
2. Het bepaalde in het voorgaande lid wordt de beschuldigde bij het uitreiken van de beschuldiging medegedeeld.
Artikel 57
2. In bijzondere gevallen kan de commandant ook andere personen als vertrouwensman toelaten.
Artikel 58
Artikel 59
2. Ingeval van uitsluiting van zijn vertrouwensman wordt de beschuldigde op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld binnen 24 uur een nieuwe vertrouwensman te kiezen. De termijn bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, wordt in dat geval met een dag verlengd.
Artikel 60
§ 3
Enige bevoegdheden tijdens het tuchtproces in eerste aanleg
Artikel 61
2. De commandant kan getuigen en deskundigen horen of doen horen in ieder stadium van het tuchtproces.
3. De verklaringen van de op grond van het eerste of tweede lid gehoorde personen worden schriftelijk vastgelegd.
Artikel 62
§ 4
Het onderzoek
Artikel 63
2. Het onderzoek vangt niet eerder aan dan 24 uur na de uitreiking van de beschuldiging.
3. Indien de beschuldigde om een eerdere behandeling verzoekt, kan de commandant daartoe besluiten.
Artikel 64
2. Indien de beschuldigde niet verschijnt wegens een gewichtige reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of schorst hij dit. De termijn bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of schorsing, doch ten hoogste 21 dagen verlengd.
3. Indien de beschuldigde niet verschijnt zonder een gewichtige reden van verhindering, schort de commandant het onderzoek op of schorst hij dit voor bepaalde tijd en wordt de beschuldigde nogmaals schriftelijk opgeroepen. Hij is bevoegd de medebrenging van de beschuldigde te gelasten. De tweede volzin van het voorgaande lid is van toepassing.
Artikel 65
2. De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De commandant voldoet aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad of het verzoek kennelijk onredelijk is.
3. De opgeroepen getuigen en deskundigen zijn verplicht te verschijnen.
4. Ten aanzien van getuigen en deskundigen zijn de artikelen 217-219 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
5. De vergoeding van door getuigen en deskundigen gemaakte onkosten geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
Artikel 66
2. Het onderzoek is niet openbaar.
Artikel 67
Artikel 68
2. Hij stelt de beschuldigde en de vertrouwensman in de gelegenheid de getuigen en deskundigen, door zijn tussenkomst, vragen te stellen.
3. Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te voeren.
Artikel 69
§ 5
De bewijsmiddelen
Artikel 70
a. eigen waarneming door de commandant van een in de beschuldiging omschreven gedraging;
b. eigen waarneming door de commandant tijdens het onderzoek;
c. verklaringen van de beschuldigde;
d. verklaringen van een getuige;
e. verklaringen van een deskundige;
f. geschriften.
Artikel 71
a. de eigen waarneming genoemd in het voorgaande artikel onder a;
b. de in een getuigenverklaring of in een geschrift opgenomen waarneming van een in de beschuldiging omschreven gedraging, door een militair of andere ambtenaar, die uit hoofde van zijn functie of rang met enig toezicht op de naleving van gedragsregels is belast.
Artikel 72
§ 6
Beraad en uitspraak
Artikel 73
Artikel 74
2. Acht de commandant de beschuldigde strafbaar, dan legt hij een straf voorzien in deze rijkswet op.
3. Indien de commandant dit in verband met de geringe betekenis van de gedraging of gelet op de persoon van de beschuldigde of zijn persoonlijke omstandigheden raadzaam acht, legt hij geen straf op.
4. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede en derde lid spreekt de commandant de beschuldigde vrij.
Artikel 75
Artikel 76
2. De uitspraak wordt door of namens de commandant onverwijld aan de beschuldigde uitgereikt.
3. De datum van uitreiking wordt op de uitspraak en op het afschrift bedoeld in het tweede lid aangetekend.
Artikel 77
a. de naam, rang en militaire eenheid van de beschuldigde;
b. de bewezen gedraging of gedragingen;
c. de geschonden gedragsregel of gedragsregels;
d. de beslissing.
§ 7
Bijzondere bepalingen
Artikel 78
2. Indien de commandant na de uitreiking van de beschuldiging tot het oordeel komt dat de gedraging een strafbaar feit betreft, trekt hij de beschuldiging in, indien hij nog niet tot een uitspraak is gekomen.
Artikel 79
2. De commandant zendt na het einde van het tuchtproces in eerste aanleg bericht omtrent de afloop daarvan aan het openbaar ministerie bij het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht.
3. De toepassing van het bepaalde in het eerste lid doet niet af aan het formele recht tot strafvordering van het openbaar ministerie. Indien het strafbare feit wordt afgedaan met toepassing van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht of indien een vervolging terzake leidt tot een schuldigverklaring door de rechter, wordt bij het stellen van voorwaarden onderscheidenlijk bij de oplegging van een straf rekening gehouden met de wegens de schending van een gedragsregel van deze rijkswet opgelegde straf.
Artikel 80
2. Hij roept over de vermeende strijdigheid schriftelijk de beslissing in van het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
3. Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift niet in strijd is met een hogere regeling, deelt het deze beslissing mee aan de commandant. Deze hervat het tuchtproces met inachtneming van die beslissing.
4. Indien het tuchtproces terzake van andere gedragingen inmiddels is voortgezet en geëindigd met een uitspraak, hervat de commandant, nadat hij de beslissing van het gerecht heeft ontvangen, het op grond van het eerste lid geschorste tuchtproces. De commandant neemt daarbij de door hem gegeven uitspraak in acht. Artikel 75 is niet van toepassing met dien verstande dat een op te leggen straf gelijksoortig moet zijn aan de al opgelegde straf en het totaal het maximum niet te boven mag gaan.
5. Indien de commandant reeds een beslissing heeft genomen als bedoeld in artikel 74, derde lid, of de straf van berisping heeft opgelegd, kan alsnog een straf of een andere straf worden opgelegd.
6. Indien het gerecht beslist dat het dienstvoorschrift waaromtrent zijn beslissing is gevraagd in strijd is met een hogere regeling, spreekt het de beschuldigde vrij met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde gedraging.
7. Tegen de beslissing van het gerecht staat geen verdere voorziening open.
Titel IA
De beklagprocedure
§ 1
Het doen van beklag
Artikel 80a
2. Onder de gestrafte wordt mede verstaan degene ten wiens aanzien een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 74, derde lid.
3. De gestrafte kan in beklag ook de beslissing van de commandant met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van de beklagmeerdere onderwerpen.
Artikel 80b
2. De beklagprocedure vangt aan met de indiening van het beklagschrift bij de commandant.
3. Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het beklagschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt terstond op het beklagschrift aangetekend.
Artikel 80c
2. Hij voegt daarbij alle op de zaak betrekking hebbende stukken met opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan hij tot de overtuiging is gekomen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden.
Artikel 80d
2. Ten aanzien van een na afloop van de beklagtermijn ingediend beklagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de gestrafte in verzuim is geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd.
Artikel 80e
2. De artikelen 57, 58, 59, met uitzondering van de laatste volzin van het tweede lid, en 60 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor commandant wordt gelezen beklagmeerdere.
Artikel 80f
2. De gestrafte is verplicht te verschijnen. Artikel 80i, tweede lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing. De gestrafte is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij aanvang van het ter voorbereiding horen ter kennis gebracht.
3. De beklagmeerdere kan de commandant, getuigen en deskundigen horen of doen horen in ieder stadium van de beklagprocedure.
4. De verklaringen van de gehoorde personen worden schriftelijk vastgelegd.
§ 2
Het onderzoek op beklag en de afdoening
Artikel 80g
2. De dagen waarop de gestrafte en de beklagmeerdere zich om redenen van dienst niet in hetzelfde land bevinden, tellen niet mee voor de bepaling van de termijn genoemd in het eerste lid.
Artikel 80h
2. De beklagmeerdere roept de commandant, de getuigen en deskundigen op wier verschijning hij nodig oordeelt.
3. De gestrafte en zijn vertrouwensman kunnen verzoeken dat ook andere getuigen en deskundigen worden gehoord. De beklagmeerdere voldoet aan dit verzoek, tenzij het onderzoek daardoor wordt geschaad of het verzoek kennelijk onredelijk is.
4. Artikel 65, derde, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 80i
2. Indien de gestrafte niet verschijnt wegens een gewichtige reden van verhindering schort de beklagmeerdere het onderzoek op beklag op of schorst hij dit. De termijn bedoeld in artikel 80r, tweede lid, onder b, wordt in dat geval voor de duur van de opschorting of schorsing verlengd.
3. Indien de gestrafte niet verschijnt zonder een gewichtige reden van verhindering, doet de beklagmeerdere het beklag verder af.
Artikel 80j
2. Het onderzoek op beklag is niet openbaar.
Artikel 80k
Artikel 80l
2. Hij stelt de gestrafte en de vertrouwensman in de gelegenheid de commandant, de getuigen en de deskundigen, door zijn tussenkomst, vragen te stellen.
3. Hij stelt de vertrouwensman in de gelegenheid het woord te voeren.
Artikel 80m
Artikel 80n
Artikel 80o
2. Met betrekking tot een beklag als bedoeld in artikel 80a, derde lid, wordt door de beklagmeerdere aan de hand van de door de commandant opgegeven motivering beoordeeld of de wijze van de tenuitvoerlegging als passend kan worden beschouwd.
Artikel 80p
2. De beslissing van de beklagmeerdere luidt:
a. bevestiging van de bestreden beslissing, zo nodig met verbetering of aanvulling;
b. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met vermindering van de strafmaat binnen de opgelegde strafsoort;
c. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met wijziging van de opgelegde straf in de straf van berisping;
d. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met tenietdoening van de straf;
e. vrijspraak;
f. bevestiging van de bestreden schuldigverklaring, zonodig met verbetering of aanvulling, met verklaring dat ten onrechte geen straf is opgelegd of dat de opgelegde straf ontoereikend is en verwijzing naar het in artikel 81, eerste lid, bedoelde gerecht.
3. Indien een beklag is gedaan als bedoeld in artikel 80a, derde lid, verklaart de beklagmeerdere dit beklag bij gemotiveerde schriftelijke beslissing geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond. Indien een beklag geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, bepaalt de beklagmeerdere, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld.
4. De beslissing in eerste aanleg wordt vernietigd:
a. indien enige in Titel I van dit hoofdstuk voorgeschreven termijn is geschonden;
b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad.
Artikel 80q
2. De uitspraak op beklag wordt door de beklagmeerdere onverwijld aan de commandant toegezonden. Door of namens de commandant wordt onverwijld een afschrift van de uitspraak op beklag uitgereikt aan de gestrafte. De datum van uitreiking wordt aangetekend op de uitspraak en op het uitgereikte afschrift.
3. Indien de uitspraak op beklag een verwijzing inhoudt wordt daarvan bij de uitreiking aan de gestrafte mededeling gedaan.
Artikel 80r
2. De beklagprocedure eindigt van rechtswege en de beslissing waartegen beklag is gedaan, is van rechtswege vernietigd:
a. indien er binnen de ingevolge artikel 80g voorgeschreven termijn geen onderzoek op beklag is aangevangen;
b. indien er 30 dagen zijn verlopen nadat het onderzoek op beklag is aangevangen en er geen beslissing als bedoeld in artikel 80p, tweede of derde lid, is genomen.
Het feit dat de beklagprocedure van rechtswege is geëindigd, wordt vastgelegd in een schriftelijk stuk dat aan de gestrafte wordt uitgereikt.
3. Artikel 50, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beklagmeerdere is belast met de uitvoering.
Artikel 80s
2. Bij de behandeling en afdoening van het beklag na verwijzing zijn de bepalingen van paragraaf 2 van Titel II van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80t
Titel II
Het beroep
§ 1
Instelling van het beroep
Artikel 81
a. van een schriftelijk stuk als bedoeld in artikel 80d, eerste lid;
b. van een afschrift van een uitspraak op beklag.
2. Artikel 80a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De beklagmeerdere kan binnen vijf dagen na verloop van de termijn bedoeld in artikel 80a, eerste lid, en er geen beklag is gedaan, bij het in het eerste lid bedoelde gerecht beroep instellen op de grond dat naar zijn oordeel ten onrechte geen straf is opgelegd of de opgelegde straf ontoereikend is.
4. Indien de beklagmeerdere een oordeel heeft gegeven over de wijze van tenuitvoerlegging als bedoeld in het derde lid van artikel 80a, kan in beroep eveneens de wijze van tenuitvoerlegging van de straf van strafdienst of van uitgaansverbod aan het oordeel van het gerecht worden onderworpen.
Artikel 82
2. De commandant zendt het beroepschrift onverwijld naar het gerecht. De commandant en de beklagmeerdere voegen daarbij alle op de zaak betrekking hebbende stukken met opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan zij tot de overtuiging zijn gekomen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden.
3. Indien het beroep is ingesteld door de beklagmeerdere, doet de commandant daarvan mededeling aan degene op wie de uitspraak betrekking heeft.
Artikel 83
Artikel 84
Artikel 85
Artikel 86
§ 2
De behandeling en afdoening van het beroep
Artikel 87
2. De voorzitter van de militaire kamer bepaalt op welke dag het beroep wordt behandeld.
3. Artikel 17, elfde lid, van de Wet militaire strafrechtspraak is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de uitvoering van de overdracht geschiedt door de griffier.
Artikel 88
2. De termijn van oproeping is tenminste zes dagen. Op verzoek van de gestrafte kan deze termijn worden verkort.
3. Indien de gestrafte niet verschijnt en het gerecht zijn aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling voor bepaalde tijd uit en gelast de oproeping van de gestrafte.
4. Indien de gestrafte wederom niet verschijnt, kan het gerecht het beroep vervallen verklaren.
Artikel 89
2. Indien de beklagmeerdere niet verschijnt en het gerecht zijn aanwezigheid in persoon noodzakelijk acht, stelt het de behandeling voor bepaalde tijd uit en gelast zijn oproeping.
3. Indien de beklagmeerdere wederom niet verschijnt, kan het gerecht het beroep vervallen verklaren.
Artikel 90
2. De oproepingen geschieden door de griffier.
3. Getuigen en deskundigen zijn verplicht te verschijnen.
4. Voor getuigen is artikel 290, vierde lid, en voor deskundigen is artikel 51m, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing.
5. Artikel 65, vierde en vijfde lid, is van toepassing.
Artikel 91
Artikel 92
2. De artikelen 57, 58, 59, eerste lid, en 60 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Als vertrouwensman kan ook een advocaat optreden.
4. De voorzitter kan de gestrafte een advocaat als vertrouwensman toevoegen. Een daartoe strekkend verzoek dient tenminste drie dagen voor de behandeling van het beroep bij het gerecht te zijn binnengekomen.
5. Het bepaalde in de vorige leden wordt de gestrafte bij de oproeping medegedeeld.
6. De overeenkomstig het vierde lid toegevoegde advocaat ontvangt een beloning en vergoeding van door hem gemaakte onkosten volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur.
7. De voorgaande bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op degene op wie de uitspraak betrekking heeft, indien het beroep is ingesteld door de beklagmeerdere.
Artikel 93
2. De artikelen 62, 67-69, 74 en 75 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor commandant gelezen wordt militaire kamer.
3. Ten aanzien van de bewijsmiddelen is artikel 80n van toepassing. Als bewijsmiddel wordt tevens erkend de eigen waarneming door de militaire kamer tijdens het onderzoek.
4. Na sluiting van het onderzoek beraadt de militaire kamer zich of zij door de inhoud van de in het derde lid genoemde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de gestrafte heeft plaatsgevonden en, in bevestigend geval, of zulks de schending van een gedragsregel oplevert.
Artikel 94
2. Het lid van de militaire kamer beëdigt, indien er naar zijn oordeel een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, de getuige dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen.
3. De deskundige wordt door het lid van de militaire kamer beëdigd dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen.
4. Van de reden van de beëdiging als bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.
Artikel 95
2. De voorlezing van de uitspraak in beroep geschiedt in het openbaar en de uitspraak wordt de gestrafte in persoon betekend.
3. Een afschrift van de uitspraak wordt toegezonden aan de commandant, de beklagmeerdere, en aan Onze Minister van Defensie.
Artikel 96
2. Indien een beroep is ingesteld als bedoeld in artikel 81, vierde lid, verklaart het gerecht bij gemotiveerde beslissing dit beroep geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond.
Artikel 97
a. Indien enige in de Titels I of IA van dit hoofdstuk voorgeschreven termijn is geschonden;
b. indien enige andere vorm dan onder a bedoeld, is verzuimd en redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gestrafte daardoor in zijn verdediging is geschaad.
Artikel 98
Artikel 99
Artikel 100
Artikel 101
Hoofdstuk VI
Dwangmiddelen
Artikel 102
2. De meerdere is bevoegd van iedere mindere te vorderen hem bij de geleiding bijstand te verlenen.
3. Indien de meerdere de plaats van aanhouding niet terstond kan verlaten, is hij bevoegd van iedere mindere te vorderen voor de geleiding zorg te dragen.
Artikel 103
2. Indien de commandant niet aanwezig is en zijn optreden niet kan worden afgewacht, dan wel indien de dader van de schending van een gedragsregel onbekend is, komt de in het vorige lid genoemde bevoegdheid mede toe aan door Onze Minister van Defensie aangewezen functionarissen.
3. Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de rechthebbende, doch in elk geval:
a. zodra de commandant beslist geen beschuldiging uit te reiken;
b. zodra blijkt dat geen beschuldiging kan worden uitgereikt op grond van het bepaalde in artikel 53, eerste, tweede of vijfde lid;
c. tien dagen na de uitreiking van de uitspraak in eerste aanleg, indien geen beklag is gedaan of beroep is ingesteld;
d. vijf dagen na de uitreiking van een uitspraak op beklag die geen verwijzing inhoudt als bedoeld in artikel 80p, tweede lid, onder f, indien geen beroep is ingesteld;
e. zodra het tuchtproces op een andere wijze eindigt;
f. bij de uitspraak in beroep.
4. Indien toepassing is gegeven aan artikel 78 wordt, in afwijking van het gestelde in het derde lid, het geschrift of voorwerp ter beschikking gesteld van de opsporingsambtenaar. Deze terbeschikkingstelling geldt als een inbeslagneming door een opsporingsambtenaar als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering.
5. Het in het eerste lid bedoelde geschrift of voorwerp wordt op de wijze te bepalen bij algemene maatregel van Rijksbestuur gedurende zes maanden ter beschikking gehouden van de rechthebbende. Is teruggave alsdan niet mogelijk gebleken dan wordt het geschrift of voorwerp vernietigd.
Artikel 104
2. Met betrekking tot de wijze van indiening van het klaagschrift zijn de artikelen 82, 83 en 84 van overeenkomstige toepassing.
3. De voorzitter van de militaire kamer geeft zo spoedig mogelijk een met redenen omklede beschikking, nadat de klager in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.
4. Acht de voorzitter van de militaire kamer het beklag gegrond, dan gelast hij dat het geschrift of voorwerp zo spoedig mogelijk ter beschikking wordt gesteld van de rechthebbende, indien dat nog niet is geschied op grond van het bepaalde in artikel 103, derde lid.
5. Een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan de klager en aan degene die het geschrift of voorwerp heeft ingenomen of doen innemen.
6. Tegen de beschikking staat geen verdere voorziening open.
Hoofdstuk VII
Krijgsgevangenen en geïnterneerde personen
Artikel 105
a. de straffen, omschreven in artikel 89, eerste lid, van vorengenoemd verdrag, worden geacht te zijn voorzien in deze rijkswet;
b. met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf, omschreven in artikel 89, eerste lid, onder 1 van vorengenoemd verdrag, de artikelen 44-46 van deze rijkswet van overeenkomstige toepassing zijn;
c. de tenuitvoerlegging van de straf, omschreven in artikel 89, eerste lid, onder 4 van vorengenoemd verdrag, geschiedt volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van Rijksbestuur;
d. de vergrijpen, bedoeld in artikel 93, tweede en derde lid, van vorengenoemd verdrag, worden geacht in te houden schendingen van gedragsregels van deze rijkswet, terwijl ten aanzien van die feiten het gestelde in artikel 78 van deze rijkswet buiten toepassing blijft.
Hoofdstuk VIII
Slotbepalingen
Artikel 106
Artikel 107
2. Indien op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet de termijn van beklag als bedoeld in artikel 62 van de Wet op de Krijgstucht, dan wel van de mogelijkheid om ingevolge artikel 67 van die wet de eindbeslissing van het Hoog Militair Gerechtshof in te roepen, nog niet is verstreken, dient dit beklag onderscheidenlijk deze inroeping te worden gedaan in de vorm van een beroep, in te stellen naar de regels, gesteld in hoofdstuk V, titel II, van deze Rijkswet, en met toepassing van die regels te worden behandeld en afgedaan.
3. Zaken betreffende de inroeping van een eindbeslissing ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, die op het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet bij het Hoog Militair Gerechtshof aanhangig zijn, worden in de stand waarin zij zich bevinden overgedragen aan het gerecht dat uit hoofde van artikel 81 van deze Rijkswet bevoegd is het beroep inzake tuchtrechtelijke uitspraken te behandelen, en door dat gerecht behandeld en afgedaan.
Artikel 108
2. Indien de Hoge Raad een beslissing van het Hoog Militair Gerechtshof, genomen ingevolge artikel 67 van de Wet op de Krijgstucht, na het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet in cassatie vernietigt, wordt de zaak, indien zij niet door de Hoge Raad zelf wordt afgedaan, verwezen naar het gerecht dat uit hoofde van artikel 81 van deze Rijkswet bevoegd is.
3. In de zaken, waarin toepassing is gegeven aan artikel 107, derde lid, van deze Rijkswet, voorzover deze een strafbaar feit betreffen, blijven de bepalingen van de Rijkswet van 22 februari 1979 (Stb. 69) tot invoering van de rechtsmiddelen van cassatie, cassatie in het belang der wet en herziening in het militair strafprocesrecht op de beslissing van het gerecht van kracht. Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing.