1. Een wasmiddel moet voldoen aan de eis dat de gemiddelde biologische afbreekbaarheid van de daarin aanwezige oppervlakte-actieve stoffen ten minste 90% bedraagt voor elk van de volgende categorieën: de anionactieve, de kationactieve, de niet-ionische en de amfolitische oppervlakte-actieve stoffen.
2. Wat de anionactieve oppervlakte-actieve stoffen betreft, wordt een wasmiddel geacht aan de in het eerste lid gestelde eis te voldoen, indien een onderzoek op voet van het bepaalde in artikel 2 van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 november 1973, nr. 73/405 (PbEG 1973, L 347), zoals laatstelijk gewijzigd bij de Richtlijn van 31 maart 1982, nr. 82/243 (PbEG 1982, L 109), geen ongunstiger resultaat oplevert dan het in die bepaling gestelde.
3. Wat de niet-ionische oppervlakte-actieve stoffen betreft wordt en wasmiddel geacht aan de in het eerste lid gestelde eis te voldoen, indien een onderzoek op de voet van het bepaalde in artikel 2 van de Richtlijn van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1982, nr. 82/242 (PbEG 1982, L 109), geen ongunstiger resultaat oplevert dan het in die bepaling gestelde.