Artikel 1
1. Er is een Nationale frequentie commissie (NFC), hierna aan te duiden als de commissie.
2. De commissie heeft als taak het plegen van overleg over het te voeren beleid inzake het gebruik en de verdeling van het radiofrequentiespectrum, in het bijzonder betreffende:
1) het feitelijk gebruik en de verdeling van het radiofrequentiespectrum;
2) de basisvoorwaarden voor het gebruik van toe te wijzen delen van het radiofrequentie spectrum;
3) de grondslagen voor het beheer van het radiofrequentiespectrum of delen daarvan;
4) het voorkomen en de bestrijding van radiostoringen;
5) de uitvoering van het beheer van het radiofrequentie spectrum;
6) de uit te dragen standpunten in internationaal overleg over frequentie-aangelegenheden.
3. De commissie dient in zijn standpuntbepaling inzake het gebruik en de verdeling van het radiofrequentie-spectrum rekening te houden met het beleid ten aanzien van het gebruik van het radiofrequentie-spectrum in buitengewone omstandigheden zoals bedoeld in hoofdstuk 14 van de Telecommunicatiewet; de taak van de commissie heeft evenwel geen betrekking op dit beleid.
4. Het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post draagt zorg voor de rapportage van de uitkomsten van het overleg bedoeld in het tweede lid aan de minister van Verkeer en Waterstaat; indien ten aanzien van de uitkomst van het overleg over een bepaald onderwerp door één of meer leden een minderheidsstandpunt wordt ingenomen, wordt dit standpunt – op verzoek van het desbetreffende lid of de desbetreffende leden – in de rapportage vermeld.
5. Ieder lid is gerechtigd om vertrouwelijke behandeling van de door hem ingebrachte documenten van de commissie te verlangen.
2. De commissie heeft als taak het plegen van overleg over het te voeren beleid inzake het gebruik en de verdeling van het radiofrequentiespectrum, in het bijzonder betreffende:
1) het feitelijk gebruik en de verdeling van het radiofrequentiespectrum;
2) de basisvoorwaarden voor het gebruik van toe te wijzen delen van het radiofrequentie spectrum;
3) de grondslagen voor het beheer van het radiofrequentiespectrum of delen daarvan;
4) het voorkomen en de bestrijding van radiostoringen;
5) de uitvoering van het beheer van het radiofrequentie spectrum;
6) de uit te dragen standpunten in internationaal overleg over frequentie-aangelegenheden.
3. De commissie dient in zijn standpuntbepaling inzake het gebruik en de verdeling van het radiofrequentie-spectrum rekening te houden met het beleid ten aanzien van het gebruik van het radiofrequentie-spectrum in buitengewone omstandigheden zoals bedoeld in hoofdstuk 14 van de Telecommunicatiewet; de taak van de commissie heeft evenwel geen betrekking op dit beleid.
4. Het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post draagt zorg voor de rapportage van de uitkomsten van het overleg bedoeld in het tweede lid aan de minister van Verkeer en Waterstaat; indien ten aanzien van de uitkomst van het overleg over een bepaald onderwerp door één of meer leden een minderheidsstandpunt wordt ingenomen, wordt dit standpunt – op verzoek van het desbetreffende lid of de desbetreffende leden – in de rapportage vermeld.
5. Ieder lid is gerechtigd om vertrouwelijke behandeling van de door hem ingebrachte documenten van de commissie te verlangen.