BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 94
Vissersvaartuigenbesluit
Stuurinrichtingen en roer ... 1 Elk vaartuig moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorzien van een hoofdstuurinrichting en van een hulpstuurinrichting. Deze inrichtingen moeten zodanig zijn, dat voor zover dit mogelijk en praktisch uitvoerbaar is, een enkelvoudige fout in een van de inrichtingen de ander niet buiten werking stelt. 2 De hoofdstuurinrichting moet voldoende sterk zijn gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij maximum dienstsnelheid vooruit. De hoofdstuurinrichting, het roer en de roerkoning moeten zodanig zijn ontworpen, dat zij, ook bij maximum snelheid achteruit of bij het manoeuvreren tijdens het vissen, niet worden beschadigd. 3 Het vermogen en de uitvoering van de hoofdstuurinrichting moeten zodanig zijn dat het roer van 35 graden uitslag aan een zijde naar 35 graden uitslag aan de andere zijde kan worden bewogen wanneer het vaartuig zich bij maximum toelaatbare diepgang, met maximum dienstsnelheid vooruit beweegt. Het roer moet onder deze omstandigheden van 35 graden uitslag aan één zijde in niet meer dan 28 seconden naar 30 graden uitslag aan de andere zijde kunnen worden bewogen. Zonodig dient de hoofdstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen. 4 Wanneer de hoofdstuurinrichting twee of meer gelijkwaardige krachtwerktuigen omvat, behoeft geen hulpstuurinrichting te zijn aangebracht indien de hoofdstuurinrichting geschikt is om het roer te bewegen overeenkomstig het bepaalde in het zesde lid, in het geval dat een van de krachtwerktuigen buiten bedrijf is. 5 De hulpstuurinrichting moet voldoende sterk zijn gebouwd en geschikt zijn voor de besturing van het vaartuig bij een snelheid, waarbij het nog manoeuvreerbaar is en voorts zijn ingericht om in noodgevallen snel in werking te kunnen worden gebracht. 6 De hulpstuurinrichting moet geschikt zijn om het roer in niet meer dan 60 seconden van 15 graden uitslag aan een zijde te bewegen naar 15 graden uitslag aan de andere zijde, bij een snelheid vooruit welke maximaal of de helft van de maximum dienstsnelheid of 7 mijl per uur bedraagt, welke van de twee waarden het grootst is. Zonodig dient de hulpstuurinrichting werktuiglijk te kunnen worden bewogen teneinde aan deze eisen te voldoen. Indien een roerkoning met een middellijn ter plaatse van de helmstok van meer dan 230 mm is voorgeschreven moet de hulpstuurinrichting in ieder geval werktuiglijk kunnen worden bewogen. 7 De stand van het roer moet op de brug worden aangegeven indien het roer werktuiglijk wordt bewogen. De roerstandaanwijzing moet onafhankelijk zijn van het afstandbedieningssysteem. 8 Aan boord van een vaartuig moet elk krachtwerktuig van een elektrische of elektrisch-hydraulische stuurinrichting rechtstreeks vanaf het hoofdschakelbord worden gevoegd. Eén van de stroomkringen mag vanaf het noodschakelbord worden gevoed. De stroomkringen moeten over hun gehele lengte zover als praktisch mogelijk is, van elkaar verwijderd zijn aangebracht. 9 Elke stroomkring en elke motor moet zijn voorzien van een kortsluitbeveiliging en een overbelastingsalarm. Indien een overbelastingsbeveiliging is aangebracht moet deze niet lager zijn ingesteld dan tweemaal de nominale stroomsterkte van de motor of stroomkring en moet verder zodanig zijn uitgevoerd dat deze bij de gebruikelijke aanloopstroom niet in werking treedt. 10 Aan boord van elk vaartuig moet het in bedrijf zijn van de motoren van elektrische en elektrisch-hydraulische stuurinrichtingen op de brug worden aangegeven. 11 De krachtwerktuigen voor de hoofdstuurinrichting en de hulpstuurinrichting moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij automatisch weer in werking treden, zodra de energievoorziening, na te zijn uitgevallen, weer is hersteld. 12 De krachtwerktuigen voor de hoofdstuurinrichting en de hulpstuurinrichting moeten op de brug in werking kunnen worden gesteld. Het uitvallen van de energievoorziening van enig krachtwerktuig moet op de brug door middel van een hoorbaar en zichtbaar alarm worden aangegeven. 13 De hoofdstuurinrichting moet op de brug kunnen worden bediend. 14 Indien de hoofdstuurinrichting is uitgevoerd zoals aangegeven in het vierde lid moeten twee afstandbedieningssystemen aanwezig zijn, welke onafhankelijk van elkaar kunnen werken en vanaf de brug zijn te bedienen. Het is evenwel niet noodzakelijk dat elk systeem is voorzien van een afzonderlijk stuurwiel of stuurhandel. 15 Indien de hulpstuurinrichting door een krachtwerktuig wordt aangedreven moet zij tevens zijn voorzien van een afstandbedieningssysteem dat op de brug kan worden bediend en dit systeem moet onafhankelijk zijn van het afstandbedieningssysteem voor de hoofdstuurinrichting. 16 Elk afstandbedieningssysteem voor hoofdstuurinrichtingen en hulpstuurinrichtingen dat vanaf de brug kan worden bediend, moet aan de volgende eisen voldoen: 1°. indien elektrisch uitgevoerd moet het afstandbedieningssysteem worden gevoed door een afzonderlijk voor dit doel bestemde stroomkring, betrokken vanuit de voeding van een krachtwerktuig voor de stuurinrichting; 2°. het uitvallen van de elektrische voeding van een afstandbedieningssysteem moet op de brug door middel van alarmen worden aangegeven. Deze alarmen moeten zowel hoorbaar als zichtbaar zijn en moeten gemakkelijk kunnen worden waargenomen; en 3°. de voeding voor de afstandbedieningssystemen mag uitsluitend tegen kortsluiting zijn beveiligd. 17 Indien voorzien is in een automatische stuurinrichting, dient deze te voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen regels.