BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 83
Vissersvaartuigenbesluit
Gebruik van ontvlambare oliën ... 1 Als vloeibare brandstof mag slechts olie worden gebruikt waarvan het vlampunt niet lager is dan 60°C, behalve voor noodagregaten, waarvoor olie met een vlampunt van niet lager dan 43°C mag worden gebruikt. 2 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter het algemeen gebruik toestaan van brandstofolie met een vlampunt lager dan 60°C, maar niet lager dan 43°C, onder zodanige voorzorgen als hij nodig acht en op voorwaarde dat de temperatuur in de ruimte waarin zulk brandstofolie is opgeslagen of wordt gebruikt, niet zal mogen stijgen tot een waarde hoger dan 10°C onder het vlampunt van de brandstofolie. 3 Veilige en doeltreffende middelen ter bepaling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank dienen aanwezig te zijn. Indien peilpijpen zijn aangebracht, moeten de boveneinden daarvan op veilige plaatsen uitkomen en voorzien zijn van doeltreffende middelen voor afsluiting. Buisvormige peilglazen mogen niet worden toegepast. Andere middelen ter vaststelling van de hoeveelheid brandstofolie in een tank kunnen worden toegestaan, mits het bij het onklaar raken daarvan of het overvullen van de tanks niet mogelijk is dat daardoor brandstofolie buiten de tank geraakt. 4 Voorzieningen moeten zijn getroffen ter vermijding van overdruk in een brandstofolietank of in een gedeelte van het brandstofoliesysteem, met inbegrip van verwarmingstoestellen, vulpijpen en dergelijke. Ontlastkleppen en lucht- of overvloeipijpen moeten afvoeren naar een veilige plaats, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 5 Iedere brandstofleiding waaruit bij beschadiging olie zou kunnen ontsnappen uit een boven de dubbele bodem opgestelde voorraad-, bezink- of dagtank moet direct aan de tank zijn voorzien van een afsluiter die vanaf een veilige plaats buiten de betrokken ruimte waarin dergelijke tanks zijn geplaatst, kan worden gesloten in het geval dat in die ruimte brand uitbreekt. In het bijzondere geval van dieptanks in een schroefas- of pijpentunnel of een dergelijke ruimte, moeten afsluiters op deze tanks zijn aangebracht. De afsluiting in het geval van brand mag evenwel worden bewerkstelligd door middel van een extra afsluiter in de pijp of pijpen buiten de tunnel of dergelijke ruimte. Indien zulk een extra afsluiter is aangebracht in de ruimte voor machines, moet deze afsluiter vanaf een plaats buiten deze ruimte kunnen worden bediend. 6 Pompen die deel uitmaken van het brandstofleidingsysteem, moeten gescheiden zijn van elk ander leidingsysteem en de aansluitingen op de betrokken pompen moeten zijn voorzien van een doelmatige ontlastklep die deel uitmaakt van een gesloten systeem. Wanneer brandstofolietanks tevens gebruikt kunnen worden als ballasttanks, moeten doelmatige voorzieningen zijn getroffen om het brandstofleidingsysteem en het ballastleidingsysteem van elkaar te scheiden. 7 Olietanks mogen niet zodanig zijn gelegen dat overvloeien of lekkage van vloeistof daaruit op hete oppervlakken een gevaar kan vormen. Voorzorgsmaatregelen moeten zijn genomen om te voorkomen dat olie onder druk, die uit een pomp, filter of voorwarmers zou kunnen ontsnappen, in aanraking komt met hete oppervlakken. 8 Brandstofleidingen en hun afsluiters en bevestigingen, moeten van staal of ander goedgekeurd materiaal zijn, behoudens dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een beperkt gebruik van flexibele leidingen kan toestaan op plaatsen waar ten genoegen van genoemd hoofd kan worden aangetoond dat deze noodzakelijk zijn. Dergelijke flexibele leidingen en hun eindbevestigingen moeten van goedgekeurd brandbestendig materiaal van voldoende sterkte zijn en hun constructie moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. 8 Waar dit noodzakelijk is, moeten brandstofolie- en smeerolieleidingen, voor zover praktisch uitvoerbaar, zijn afgeschermd of op andere wijze doeltreffend zijn beveiligd teneinde olienevel of olielekkage op hete oppervlakken of in luchtinlaten van werktuigen te voorkomen. Het aantal koppelingen in pijpleidingen moet tot een minimum worden beperkt. 9 Voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, moeten de brandstofolietanks deel uitmaken van de scheepsconstructie en buiten de ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn. Wanneer brandstofolietanks, geen dubbele bodemtanks zijnde, noodzakelijkerwijze naast of in ruimten voor machines van categorie A gelegen zijn, moet ten minste één van hun verticale zijden samenvallen met de begrenzingswanden van de ruimte voor machines en moeten zij bij voorkeur een gemeenschappelijke begrenzingswand hebben met dubbele bodemtanks indien deze zijn aangebracht. De oppervlakte van de begrenzingswand tussen de tank en de ruimte voor machines moet zo klein mogelijk zijn. Wanneer dergelijke tanks gelegen zijn binnen de begrenzingswanden van ruimten voor machines van categorie A mogen zij geen brandstofolie bevatten met een vlampunt dat lager is dan 60°C. Het gebruik van vrijstaande brandstofolietanks in brandgevaarlijke ruimten en in het bijzonder in ruimten voor machines van categorie A is in het algemeen niet toegestaan. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan echter de toepassing van vrijstaande brandstofolietanks toestaan. In dat geval moeten zij zijn geplaatst in een lekbak van ruime afmetingen welke is voorzien van een afvoerleiding van voldoende afmetingen, welke naar een lekolietank leidt met voldoende capaciteit. 10 De ventilatie van ruimten voor machines moet onder alle bedrijfsomstandigheden voldoende zijn om opeenhoping van oliedampen te voorkomen. 11 De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van olie voor smeeroliesystemen onder druk moeten ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Wanneer deze inrichtingen zijn aangebracht in ruimten voor machines, moeten zij ten minste voldoen aan het bepaalde in het eerste, tweede, vierde, zevende en achtste lid en, voor zover het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dit noodzakelijk acht, aan het bepaalde in het derde en vijfde lid. Het gebruik van kijkglazen in smeeroliesystemen is toegestaan, mits door middel van een proef is aangetoond dat zij in voldoende mate brandbestendig zijn. 12 De inrichtingen voor de opslag, verdeling en het gebruik van ontvlambare oliën die onder druk worden toegepast in hydraulische systemen voor het overbrengen van vermogen en die geen oliën zijn als bedoeld in het voorgaande lid, zomede van oliën die worden gebruikt in bedienings-, bekrachtigings- en verwarmingssystemen, moeten ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Op plaatsen waar ontstekingsbronnen aanwezig zijn, moeten dergelijke inrichtingen ten minste voldoen aan het bepaalde in het derde, vijfde en zevende lid en ten aanzien van sterkte en constructie aan het bepaalde in het vierde en het achtste lid. 13 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie onder door hem te bepalen nadere voorwaarden, toestaan dat voor motoren van hulpverleningsboten vloeibare brandstof met een lager vlampunt wordt gebruikt. 14 Voorpiektanks mogen geen brandstofolie, smeerolie of andere ontvlambare oliën bevatten.