BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 82
Vissersvaartuigenbesluit
Bediening van de voortstuwingsinstallatie ... 1 Indien een voortstuwingswerktuig, behalve ter plaatse of vanaf een daartoe speciaal aanwezige bedieningspost, ook rechtstreeks vanaf de brug kan worden bediend: 1.1. moeten onder alle bedrijfsomstandigheden waaronder het manoeuvreren, de snelheid, de richting van de stuwkracht en, indien van toepassing, de spoed van de verstelbare schroef volledig door middel van afstandbediening vanaf de brug kunnen worden geregeld; 1.2. moet de afstandbediening als bedoeld onder 1 ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en verricht worden door middel van een bedieningsapparaat, dat zonodig voorzien moet zijn van een inrichting die voorkomt dat de voortstuwingswerktuigen worden overbelast; 1.3. moeten de hoofdvoortstuwingswerktuigen voorzien zijn van een noodstopinrichting op de brug, die onafhankelijk moet werken van het bedieningssysteem op de brug als bedoeld onder 1; 1.4. moet de hiervoor benodigde omschakelinrichting ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zodanig zijn uitgevoerd, dat: 1°. nimmer gelijktijdig vanaf meer dan één bedieningsplaats het voortstuwingswerktuig kan worden aangezet, dan wel, indien van toepassing, de spoed van de verstelbare schroef kan worden versteld; 2°. het nimmer kan voorkomen dat door omschakeling van de bediening de stuwkracht een noemenswaardige verandering ondergaat; en 3°. op elke bedieningsplaats op duidelijke wijze blijkt welke bedieningsplaats is ingeschakeld. De overschakeling van de bediening van de brug naar de ruimte voor machines dient alleen mogelijk te zijn in de ruimte voor machines of in de controlekamer. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de bedieningsplaats in de ruimte voor machines alleen een noodbedieningsplaats is, mits de controle- inrichting en bedieningsorganen op de brug doelmatig zijn; 1.5. moeten instrumenten op de brug zijn aangebracht die aangeven: 1°. de omwentelingssnelheid en de draairichting van de schroef in het geval het vaartuig is voorzien van vaste schroeven; 2°. de omwentelingssnelheid en de stand van de spoed in het geval het vaartuig is voorzien van verstelbare schroeven; en 3°. het vooralarm zoals voorgeschreven in artikel 75, zesde lid; 1.6. moeten, indien een storing optreedt in een onderdeel van het afstandbedieningssysteem, de voortstuwingswerktuigen op andere wijze kunnen worden bediend; 1.7. moet, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van oordeel is dat zulks praktisch niet uitvoerbaar is, het afstandbedieningssysteem zodanig zijn ontworpen, dat bij uitvallen alarm wordt gegeven en de vooraf ingestelde snelheid en richting van de stuwkracht worden gehandhaafd totdat de bediening op andere wijze wordt overgenomen; en 1.8. moet, indien de afstandsbediening van het voortstuwingswerktuig is ingericht voor automatisch aanzetten, het aantal keren waarop automatische, opeenvolgende, vergeefse startpogingen verricht kunnen worden zodanig zijn begrensd dat voldoende aanzetlucht aanwezig blijft voor het aanzetten van het voortstuwingswerktuig ter plaatse. Er moet een alarm zijn aangebracht in de ruimte voor machines dat een lage aanzetdruk aangeeft en dat is afgesteld op een druk waarbij aanzetten van het voortstuwingswerktuig nog mogelijk is. Indien het voortstuwingswerktuig een direct omkeerbare motor is moet dit alarm ook op de brug zijn aangebracht. 2 Aan boord van een vaartuig waar het omkeren van de door de schroef uitgeoefende stuwdruk geschiedt door het verstellen van de schroefbladen, moet dit verstellen in elk geval in de ruimte voor machines kunnen geschieden. 3 Wanneer de hoofdvoortstuwingswerktuigen en bijbehorende machine-installaties met inbegrip van de elektrische hoofdkrachtbron zijn voorzien van verschillende graden van automatische bediening of afstandbediening en daarop voortdurend toezicht wordt gehouden vanuit een controlekamer, moet deze controlekamer zodanig zijn ontworpen, uitgerust en ingericht, dat de werking van de machine-installaties even veilig en doeltreffend is als wanneer daarop rechtstreeks toezicht wordt gehouden. 4 Automatische systemen voor aanzetten, regeling en bediening moeten in het algemeen voorzieningen omvatten om de bediening van deze systemen met de hand over te kunnen nemen. Storing in enig gedeelte van deze systemen mag het gebruik van voorzieningen voor handbediening niet verhinderen.