BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 74
Vissersvaartuigenbesluit
Algemeen ... 1 Hoofdvoortstuwingsinstallaties en toebehoren, hulpwerktuigen, brandstofsystemen, elektrische installaties, koelsystemen, ketels en andere drukvaten, pijpleidingen en pompinstallaties, stuurmachines en toebehoren, assen en koppelingen, bestemd voor de overdracht van vermogen, moeten zijn ontworpen, geconstrueerd, ingericht, beproefd en onderhouden ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De uitvoering en opstelling van deze machine-installaties, met inbegrip van hefwerktuigen, lieren en uitrusting voor de behandeling en verwerking van vis, moeten zodanig zijn, dat de veiligheid en de gezondheid van in de nabijheid aanwezige personen zoveel mogelijk is gewaarborgd. Waar nodig moeten ter beveiliging tegen bewegende delen, hete oppervlakken en andere gevaren, schermplaten, handgrepen of hekwerk zijn aangebracht. 2 Ruimten voor machines moeten zodanig zijn ontworpen dat alle werktuigen en de daarbij behorende bedieningsinstallaties, alsmede alle andere onderdelen die onderhoud kunnen vereisen, veilig en gemakkelijk toegankelijk zijn. De betreffende ruimten moeten voldoende kunnen worden geventileerd. 3 De bouw en de uitvoering van de werktuiglijke installatie en de inrichting der ruimten waarin tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, moeten ten minste voldoen aan de eisen gesteld door een klassebureau, voor zover bij of krachtens dit besluit daaromtrent geen andere voorschriften zijn gegeven. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hieromtrent nadere voorschriften geven. 4 Roosters, bordessen en vloerplaten moeten deugdelijk zijn gesteund en bevestigd. Vloerplaten moeten gemakkelijk kunnen worden losgenomen. 5 Reservedelen, scheepsbenodigdheden en dergelijke moeten deugdelijk zijn opgeborgen en mogen de doorgang niet versperren. 6 In ruimten voor machines moeten de vullings of de tanktop ter plaatse van de lenskorven kunnen worden gecontroleerd zonder dat hiertoe vloerplaten behoeven te worden losgenomen. Aan boord van een vaartuig, waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet voor dit doel tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127. 6 In ruimten waarin één of meer met olie gestookte ketels zijn opgesteld, moeten op doelmatige plaatsen roosters zijn aangebracht teneinde de tanktop of de vullings onder de stookplaat te allen tijde te kunnen controleren. Voor dit doel moet tevens een vast aangebrachte verlichting aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 127. 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht om de goede werking van de voortstuwingsinstallatie te kunnen handhaven of herstellen, zelfs indien één van de essentiële hulpinstallaties uitvalt. Bijzondere aandacht moet daarbij worden gegeven aan de goede werking van: 1°. de inrichtingen die de brandstoftoevoer naar de hoofd-voortstuwingsinstallatie verzorgen; 2°. de normale middelen die de smeeroliedruk verzorgen; 3°. de hydraulische, pneumatische en elektrische middelen voor de bediening van de hoofdvoortstuwingsinstallatie met inbegrip van de verstelbare schroeven; 4°. de middelen om de koelwaterdruk ten behoeve van de koelsystemen van de hoofdvoortstuwingsinstallatie en de hulpwerktuigen te verzorgen; en 5°. de luchtcompressoren en de luchtvaten voor aanzet- of bedieningsdoeleinden. 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht met behulp waarvan de machine-installatie in werking kan worden gesteld vanuit een dood-schip-toestand zonder dat hulp van buiten wordt geboden. 8 Hoofdvoortstuwingsinstallaties en alle hulpinstallaties die noodzakelijk zijn voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig, moeten, zoals zij zijn geïnstalleerd, kunnen functioneren ongeacht of het vaartuig recht ligt dan wel een slagzij maakt tot 15 graden naar beide zijden onder statische omstandigheden of een slagzij tot 22½ graden naar beide zijden onder dynamische omstandigheden, waarbij het vaartuig over beide zijden slingert en gelijktijdig een dynamisc he stampbeweging tot 7½ graden over de boeg of achtersteven maakt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdende met het type, de afmetingen en het gebruik van het vaartuig, toestaan dat van deze criteria wordt afgeweken. 9 Het ontwerp, de constructie en de installatie van voortstuwingssystemen moet zodanig zijn, dat binnen de normale bedrijfsgebieden op geen enkele wijze door trillingen abnormale spanningen in deze voortstuwingssystemen worden veroorzaakt. 10 Aan boord van elk vaartuig, moeten met betrekking tot de controle over en de beveiliging van de werktuiglijke installatie en van de ruimten waarin de tot de installatie behorende werktuigen zijn geplaatst, zodanige voorzieningen zijn getroffen als door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden nodig geacht. Indien onder deze voorzieningen een alarmering is begrepen welke waarschuwt tegen een te hoge waterstand in de vullingen van genoemde ruimten, moeten constructie, uitvoering en aanleg van een dergelijke alarmeringsinstallatie voldoen aan de eisen gesteld door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 11 Elektrische installaties moeten zodanig zijn uitgevoerd dat: 1°. alle elektrische hulpdiensten, nodig om de normale toestand van bedrijfsvoering en leefbaarheid te handhaven, verzekerd zijn zonder dat behoeft te worden teruggevallen op de noodkrachtbron; 2°. elektrische diensten welke essentieel zijn voor de veiligheid tijdens verschillende noodtoestanden, verzekerd zijn; en 3°. de veiligheid van bemanning en vaartuig tegen gevaren van elektrische aard is gewaarborgd. 12 Ten aanzien van elektrische installaties dient te allen tijde te worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 3, voor zover op het vaartuig van toepassing. 13 Aan boord van vaartuigen met tijdelijk onbemande machinekamers: 1°. moet, onverminderd het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 en het bepaalde in hoofdstuk 5, bovendien worden voldaan aan het bepaalde in paragraaf 4; 2°. moeten, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zodanige voorzieningen worden getroffen dat het zeker is dat de gehele machine-installatie onder alle omstandigheden op betrouwbare wijze functioneert. In elk geval moeten deze voorzieningen regelmatige inspecties en ronden omvatten teneinde de voortdurende goede werking van de machine-installatie te verzekeren; en 3°. moet een verklaring aanwezig zijn, afgegeven door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, waaruit blijkt dat deze vaartuigen zijn ingericht om met tijdelijk onbemande machinekamers te varen. 14 Aan boord van een werktuiglijk voortbewogen vaartuig moeten gereedschap, materiaal en verwisselstukken in voldoende hoeveelheid aanwezig zijn, om op zee noodherstellingen aan de werktuigen, de ketels, de stuurinrichting en de elektrische installatie te kunnen uitvoeren. 15 De samenstellende delen van de scheepsromp en van de werktuigen en inrichtingen, die van belang kunnen zijn voor de veiligheid van vaartuig en opvarenden, mogen niet te veel zijn ingeteerd of versleten. Assen mogen niet op gevaarlijke wijze zijn verzakt.