BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 55
Vissersvaartuigenbesluit
Beproeving van ankers ... 1 Ankerdelen van gegoten staal moeten worden onderworpen aan een valproef die zij moeten kunnen doorstaan zonder te breken, te scheuren of andere belangrijke beschadiging. Hierbij laat men een dergelijk gegoten stalen onderdeel, of indien het anker uit één stuk is gegoten het gehele anker, vallen over een vrije valhoogte van 4,50 m voor ankers lichter dan 750 kg, over een hoogte van 4 m voor ankers van 750 tot 1500 kg en over een hoogte van 3 m voor zwaardere ankers. Het voorwerp moet bij de val neerkomen op een ijzeren of stalen grondplaat die zo sterk is dat zij niet breekt of scheurt. De grondplaat moet door een massieve gemetselde of betonnen fundatie worden gesteund. 2 Een hamerproef moet op de in het voorgaande lid bedoelde valproef volgen, waarbij alle delen van gegoten staal, vrij opgehangen, met een hamer van 3 kg worden beklopt voor onderzoek naar niet zichtbare gebreken. 3 Alle ankers, onverschillig uit welk materiaal vervaardigd, met uitzondering van dreggen en ankers als bedoeld in artikel 54, vierde lid, moeten worden onderworpen aan een belastingproef. Deze proef wordt genomen met behulp van een kettingtrekbank of op een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde wijze. Voor de te bezigen werktuigen geldt het bepaalde in artikel 46. De in artikel 58 opgenomen tabel geeft, in verband met de massa van het anker, de te gebruiken belasting aan. Ankers die op grond van hun constructie van geringere massa mogen zijn dan de gebruikelijke typen, moeten worden beproefd met een belasting zoals voorgeschreven indien geen reductie op de massa zou zijn toegepast. 4 Voor de belastingproef wordt het te beproeven anker zodanig opgehangen, dat de trekkracht aan de ene zijde aangrijpt aan de roering en aan de andere zijde aan een van de vloeien, bij stokloze ankers aan beide vloeien, op een derde van de lengte van de arm van de vloei, van de punt van de vloei gemeten. Met deze lengte wordt bedoeld de afstand van de punt van de vloei tot het snijpunt van de hartlijn van de schacht met ondereind anker. Bij ankers met een scharnierende schacht neemt men voor deze lengte de loodrechte afstand tussen de punt van de vloei en de hartlijn van het scharnier. Elk anker wordt tweemaal beproefd. Na de eerste beproeving wordt het anker gedraaid, zodat bij ankers met stok de andere vloeiarm wordt belast en bij stokloze ankers beide vloeien aan de keerzijde worden belast. 5 Gedurende en na afloop van de beproeving wordt het anker nagezien om te constateren of zich gebreken voordoen als scheuren, blijvende vormveranderingen en dergelijke. Indien zich gebreken voordoen, wordt het anker afgekeurd. Bij ankers met scharnierende schacht wordt bovendien nagezien of de scharnierpunten gangbaar zijn gebleven. Indien zij niet gangbaar zijn gebleven, wordt dit hersteld en de proef herhaald.