BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 329
Vissersvaartuigenbesluit
Elektrische inrichtingen ... De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat: 1°. in vochtige ruimten geen werkzaamheden aan ongeïsoleerde delen van de elektrische installatie worden uitgevoerd, zolang deze onder spanning staan; 2°. in ruimten met ontploffingsgevaar geen werkzaamheden geschieden, waarbij vonkvorming kan optreden en dat werkzaamheden aan elektrische installaties met toebehoren slechts plaatsvinden, nadat het desbetreffende gedeelte der installatie spanningloos is gemaakt; 3°. in andere dan onder 1 en 2 genoemde ruimten slechts werkzaamheden aan ongeïsoleerde of daarmee gelijk te stellen delen van de elektrische installatie worden uitgevoerd, zonder dat deze spanningloos zijn gemaakt, indien hiervoor dringende redenen aanwezig zijn voor de veiligheid en bedrijfszekerheid van het vaartuig, mits: 3.1. alle zich in de nabijheid bevindende metalen delen doelmatig tegen aanraking zijn afgeschermd; 3.2. de metalen delen van het bij de werkzaamheden benodigde gereedschap voorzover mogelijk doelmatig zijn geïsoleerd; 3.3. zij die de werkzaamheden uitvoeren, zich op een doelmatig isolerende laag bevinden; en 3.4. voorzover dit in verband met de plaats en de omstandigheden nodig is, duidelijk leesbare waarschuwingen zijn aangebracht om te voorkomen dat aan een niet met de werkzaamheden belaste persoon een ongeval overkomt; 4°. werkzaamheden in de nabijheid van ongeïsoleerde of daarmee gelijk te stellen delen van de elektrische installatie slechts geschieden, indien deze spanningloos zijn gemaakt, tenzij dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is, in welk geval alle maatregelen moeten zijn genomen die een veilig verloop van de arbeid waarborgen; 5°. bij voeding van het scheepsnet of een gedeelte daarvan vanaf de wal, geen spanningen, stroomsoorten en bij draaistroom bovendien geen frequenties en volgorden van de fasen worden gebezigd waarvoor de elektrische installatie aan boord niet geschikt is; 6°. isolatiefouten in de elektrische installatie zo spoedig mogelijk worden verholpen; 7°. de noodkrachtbron en de tijdelijke noodkrachtbron, indien aanwezig, zomede de automatische inrichtingen van de noodinstallatie wekelijks worden beproefd; en 8°. de noodverlichting maandelijks wordt beproefd.