BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 322
Vissersvaartuigenbesluit
Reddingmiddelen en -voorzieningen ... De kapitein van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis: 1°. alle reddingmiddelen en -voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 7, zijn geplaatst, opgesteld dan wel geborgen zoals aangegeven op het aan boord aanwezige, goedgekeurde veiligheidsplan indien zulk een plan ingevolge het bepaalde in artikel 244 is voorgeschreven; 2°. alle reddingmiddelen en -voorzieningen steeds in goede staat verkeren en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn, en voor het dagelijks toezicht hierop een of meer scheepsofficieren zijn aangewezen; 3°. de uitrusting van de redding- en hulpverleningsboten steeds in goede staat verkeert en voor onmiddellijk gebruik gereed is, en in die boten geen andere zaken worden geborgen dan die welke tot de uitrusting behoren; 4°. een gediplomeerd sloepsgast is belast met het bevel over elk groepsreddingmiddel, en voor elke reddingboot tevens een plaatsvervanger is aangewezen, dan wel, wanneer zulks door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is toegestaan, een persoon met ervaring in de behandeling en bediening van reddingvlotten is belast met het bevel over elk reddingvlot; 5°. degene die met het bevel over een groepsreddingmiddel is belast en de plaatsvervanger beschikken over een lijst met namen van de hun toegewezen bemanning van het groepsreddingmiddel en toezien dat die bemanningsleden hun taken kennen; 6°. voor elke reddingboot voorzien van een radiotelegrafie-installatie, iemand is aangewezen die deze installatie kan bedienen; 7°. voor elke reddingboot iemand is aangewezen die de motor kan bedienen en kleine herstellingen daaraan kan verrichten; 8°. de handboeken voor opleiding ter zake van de reddingmiddelen en -voorzieningen, bedoeld in artikel 242, eerste lid, aan boord zijn; 9°. de instructies voor het onderhoud van de reddingmiddelen en -voorzieningen, bedoeld in artikel 209, tweede lid, aan boord zijn en het onderhoud dienovereenkomstig wordt uitgevoerd; 10°. de periodieke beproevingen, inspecties en keuringen van de reddingmiddelen en -voorzieningen worden uitgevoerd op een wijze als voorgeschreven in artikel 209, zesde tot en met negende lid, en in artikel 263, derde lid.