BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 277
Vissersvaartuigenbesluit
Kompassen ... 1 Aan boord van een vaartuig, waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, dat is gebouwd vóór 1 september 1984 en aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, dat is gebouwd op of na 1 september 1984 moeten ten minste twee vast opgestelde magnetische kompassen aanwezig zijn. Op een van deze kompassen, het standaardkompas, moet gepeild en op het andere, het stuurkompas, moet gestuurd kunnen worden. Van deze magnetische kompassen mag het stuurkompas worden vervangen door een gyrokompas dat is opgesteld op de wijze als bepaald in het tweede lid, onder 1, met dien verstande dat in een dergelijk geval op het standaardkompas tevens moet kunnen worden gestuurd. 1 In afwijking van het bepaalde in 1.1 kan aan boord van een vaartuig dat een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen gebied bevaart, worden volstaan met een vast opgesteld magnetisch standaardkompas, waarop zowel kan worden gepeild als gestuurd. Op dit kompas behoeft evenwel niet te kunnen worden gepeild indien een naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gelijkwaardig, elektronisch middel tot plaatsbepaling alsmede een radarinstallatie van een goedgekeurd type aanwezig is. 1 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, moet, indien het vaartuig bestemd is om op breedten gebruikt te worden waar de horizontale component van het totale aardmagnetisch veld te gering is om een voldoende richtkracht aan het magnetisch kompas te geven, een gyrokompas zijn opgesteld, op de wijze als bepaald in het tweede lid, onder 1. 2 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte meer dan 75 m bedraagt, dat is gebouwd vóór 1 september 1984 en aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, dat is gebouwd op of na 1 september 1984 moet ten minste een vast opgesteld magnetisch standaardkompas aanwezig zijn waarop zowel kan worden gepeild als gestuurd. Tevens moet een gyrokompas aanwezig zijn, dat voldoet aan de volgende eisen: 1°. het gyro-moederkompas of een gyro-dochterkompas moet duidelijk afleesbaar zijn voor de roerganger op de plaats waar gewoonlijk wordt gestuurd; en 2°. aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt moeten bovendien gyro-dochterkompassen aanwezig zijn, zodanig dat doelmatig peilingen kunnen worden genomen over een boog van de horizon van 360 graden, voor zover praktisch uitvoerbaar. 3 De in het eerste en tweede lid voorgeschreven magnetische kompassen moeten doelmatig zijn en dienen in het vlak van kiel en stevens te zijn opgesteld. De opstellingsplaatsen van alle kompassen moeten doelmatig zijn en zodanig zijn gekozen, dat deze instrumenten, rekening houdend met het doel waarvoor zij worden gebruikt, geen onaanvaardbare storing ondervinden van in hun nabijheid geplaatste ijzermassa’s en elektrische leidingen. Hiertoe moeten in het ontwerpstadium van het vaartuig aanwijzingen worden gevraagd van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Deze aanwijzingen dienen eveneens te worden gevraagd indien aan het vaartuig of uitrusting wijzigingen worden aangebracht die invloed kunnen hebben op de goede werking van deze magnetische kompassen. 3 Bij de aanleg van elektrische leidingen in de nabijheid van magnetische kompassen moet rekening worden gehouden met het daaromtrent bepaalde in artikel 101. 3 Ter plaatse van een magnetisch kompas waarop moet kunnen worden gepeild, behoort een vrij uitzicht te zijn over een boog van de horizon van, voor zover uitvoerbaar, 360 graden, doch in ieder geval van niet minder dan 230 graden, gerekend van recht vooruit tot 25 graden achterlijker dan dwars aan elke zijde. 4 Elk magnetisch kompas moet zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige. 5 Elk magnetisch kompas en elk gyrokompas moet van een goedgekeurd type zijn en voldoen aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ter zake gestelde regels. 6 De horizontale en vertikale scheepsmagnetische storingsvelden ter plaatse van de magnetische kompassen moeten door een bevoegd persoon behoorlijk zijn gecompenseerd, onder afgifte van een foutentabel voor elk magnetisch kompas. 6 Bij elk magnetisch kompas dient een foutentabel aanwezig te zijn. 6 Telkenmale wanneer zich omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de gevonden fouten dient hercompensatie plaats te vinden door een bevoegd persoon. 6 Telkenmale wanneer een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dit nodig oordeelt en in ieder geval eenmaal per jaar dienen de fouten van elk magnetisch kompas door een bevoegd persoon te worden geverifieerd, tenzij uit aantekeningen van de kapitein blijkt dat deze fouten door waarnemingen op zee geregeld worden geverifieerd en zij binnen redelijke grenzen blijven. 6 Indien de verificaties als bedoeld onder 6.4 naar het oordeel van een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie daartoe aanleiding geven, dient hercompensatie ten behoeve van het magnetische kompas door een bevoegd persoon plaats te vinden. 6 De aanwijzing van de onder 6.1, 6.3, 6.4 en 6.5 bedoelde bevoegde personen geschiedt door Onze Minister, die tevens nadere regels kan stellen met betrekking tot de werkzaamheden van die personen. 7 Voor een magnetisch kompas en voor een gyrokompas moet, voor zover op deze kompassen moet kunnen worden gepeild, een peilinrichting aanwezig zijn. Alle aan boord aanwezige peiltoestellen moeten zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige. 8 Wanneer een magnetisch kompas met elektrische overbrenging naar een dochterkompas is aangebracht, moet het ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn voorzien in een elektrische noodvoeding. 9 Verlichting en een voorziening om deze te kunnen dimmen moet aanwezig zijn, teneinde het mogelijk te maken dat de kompasroos te allen tijde afgelezen kan worden. Indien de verlichting wordt gevoed door de hoofdvoeding van het vaartuig, moet tevens een noodverlichting zijn aangebracht. 10 Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet een spreekbuis of ander doelmatig communicatiemiddel zijn aangebracht, tussen de plaats waar het standaardkompas is opgesteld en de plaats waar het vaartuig wordt bestuurd en, indien aangebracht, de plaats waar de noodstuurinrichting is opgesteld.