BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 276
Vissersvaartuigenbesluit
De brug van een vaartuig ... 1 Aan boord van elk vaartuig moeten de inrichting en indeling van de brug, alsmede de plaatsing van de daar opgestelde apparatuur, zodanig zijn dat een doelmatige en veilige navigatie mogelijk is. 2 De plaats van de brug dient zodanig te zijn gekozen dat: 1°. de roerganger vanaf de plaats waar het vaartuig wordt bestuurd een vrij uitzicht over het voorschip heen heeft; 2°. het uitzicht rondom voldoende is om veilig te kunnen manoeuvreren en navigeren; en 3°. de scheepszijden vanaf de brug waarneembaar zijn, tenzij de bedrijfsvoering zich hiertegen verzet. In dat geval kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de brug niet over de gehele breedte van het vaartuig doorloopt. 3 Aan boord van een vaartuig dat is voorzien van een automatische stuurinrichting moet op de brug een wachtalarminstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht. 4 Degene die de lieren bedient heeft goed zicht op deze lieren en op de bemanningsleden die daarmee aan het werk zijn. 5 Voor de communicatie tussen de brug en het werkdek wordt gebruik gemaakt van een betrouwbaar communicatiesysteem. 6 Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid nadere regels worden gesteld.