BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 27
Vissersvaartuigenbesluit
Constructie ... 1 Materiaal te gebruiken voor de bouw van de scheepsromp en de voornaamste werktuigen alsmede voor verbouwing, belangrijke herstelling of vernieuwing van vitale delen, moet voldoen aan en zijn gekeurd volgens de door een klassebureau gestelde eisen, dan wel voldoen aan het bepaalde in paragraaf 2 en zijn gekeurd op de wijze als daarin is voorgeschreven. 2 De sterkte en de constructie van de romp, bovenbouwen, dekhuizen, schachten van machinekamers, toegangskappen en elke andere constructie en die van de scheepsuitrusting moeten voldoende bestand zijn tegen alle omstandigheden waaronder het vaartuig moet kunnen opereren. 3 Zowel de afmetingen van alle verbanddelen van de in het tweede lid genoemde onderdelen, als de wijze waarop deze ten opzichte van elkaar zijn aangebracht en verbonden, moeten zodanig zijn dat, rekening houdende met de afmetingen van het vaartuig en het vaargebied waarvoor het bestemd is, zowel de algemene sterkte, als het weerstandsvermogen tegen plaatselijk optredende krachten aan redelijke eisen voldoen. 4 De romp van vaartuigen bestemd om in ijs dienst te doen, moet versterkt worden, rekening houdend met de te verwachten omstandigheden tijdens de vaart en in het werkgebied. 5 De uitvoering van het constructiewerk van de in het tweede lid genoemde onderdelen moet aan redelijke eisen voldoen. 6 Schotten, afsluitmiddelen en afsluitingen van openingen in deze schotten, evenals de methoden om deze te beproeven, moeten voldoen aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen voorwaarden. Vaartuigen welke zijn vervaardigd van ander materiaal dan hout, moeten zijn voorzien van een aanvaringsschot, van waterdichte schotten die de ruimte voor machines, waarin zich het hoofdvoortstuwingswerktuig bevindt, omsluiten, en van een achterpiekschot, met dien verstande dat het achterpiekschot kan dienen als het achterste machinekamerschot. Deze schotten moeten zijn opgetrokken tot aan het werkdek, met uitzondering van een achterpiekschot dat niet tevens als achterste machinekamerschot dienst doet; dit achterpiekschot dient ten minste te zijn opgetrokken tot het eerste dek boven de hoogst gelegen lastlijn. In houten vaartuigen moeten dergelijke schotten eveneens zijn aangebracht en, voor zover zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten deze schotten waterdicht zijn. 7 Pijpen die door het aanvaringsschot zijn gevoerd, moeten zijn voorzien van doelmatige afsluiters, die boven het werkdek moeten kunnen worden bediend en welke tegen het aanvaringsschot in de voorpiek moeten zijn bevestigd. Op de plaats van bediening dient een standaanwijzer te zijn aangebracht die aangeeft of de afsluiter geopend danwel gesloten is. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat de betreffende afsluiters aan de achterzijde van het aanvaringsschot worden aangebracht en daar ter plaatse bedienbaar zijn mits de afsluiters onder alle bedrijfsomstandigheden gemakkelijk bereikbaar zijn en beschermd zijn tegen beschadiging. Door het aanvaringsschot mag slechts één pijpleiding worden gevoerd, tenzij de voorpiek in twee afdelingen is verdeeld. In dat geval is het toegestaan door het aanvaringsschot twee pijpleidingen te voeren, te weten één pijpleiding voor elke afdeling. In het aanvaringsschot mogen geen deuren, mangaten, ventilatiekokers of andere openingen zijn aangebracht onder het werkdek. 8 Indien een lange bovenbouw op het voorschip is aangebracht, dient als voortzetting van het aanvaringsschot een schot, dicht tegen weer en wind, te zijn aangebracht tussen het werkdek en het dek boven het werkdek. Deze voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek behoeft niet onmiddellijk te zijn geplaatst boven het aanvaringsschot, mits het wordt geplaatst binnen de grenzen, als bepaald in artikel 2, eerste lid, onder 35.1 en het gedeelte van het dek dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en wind. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ten aanzien hiervan nadere regels geven. 9 Het aantal openingen in de voortzetting van het aanvaringsschot boven het werkdek moet worden beperkt tot het minimum dat verenigbaar is met de bestemming en de normale bedrijfsuitoefening van het vaartuig. Dergelijke openingen moeten dicht tegen weer en wind kunnen worden afgesloten. 10 In vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, tussen het aanvaringsschot en het achterpiekschot een waterdichte dubbele bodem zijn aangebracht.