BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 267
Vissersvaartuigenbesluit
Radiotelefonie-installaties ... 1 De radiotelefonie-installatie moet een zender, een ontvanger, een radiotelefonie-luisterwachtontvanger en een voor het doel passende krachtbron omvatten, als nader voorgeschreven in de volgende leden. 2 De zender moet kunnen zenden op de radiotelefonienoodfrequentie en op ten minste één andere frequentie in de banden tussen 1605 en 2850 kHz in de door het Radioreglement voor deze frequenties aangewezen klassen van uitzending. Bij normaal gebruik moet de modulatie van een enkelzijbanduitzending met volledige draaggolf ten minste 70 percent bedragen bij maximaal uitgestraald vermogen. De modulatie van een enkelzijbanduitzending met verminderde of onderdrukte draaggolf moet zodanig zijn dat de intermodulatieprodukten de in het Radioreglement vermelde waarden niet overschrijden. 3 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 35 m of meer, doch minder dan 75 m bedraagt, moet de zender een minimum normale reikwijdte hebben van 150 zeemijlen; daarbij moet hij in staat zijn duidelijk waarneembare seinen van schip tot schip, bij dag en onder normale condities en omstandigheden over dit bereik over te brengen. Duidelijk waarneembare seinen zullen in normale omstandigheden worden ontvangen wanneer de effectieve waarde van de door de ongemoduleerde draaggolf opgewekte veldsterkte bij de ontvanger ten minste 25 microvolt per meter is voor enkelzijbanduitzendingen met volledige draaggolf. Wanneer geen directe meting van de veldsterkte kan worden uitgevoerd, mag worden aangenomen dat deze reikwijdte zal worden verkregen wanneer een maximaal omhullend vermogen van 60 Watt, voor enkelzijbanduitzendingen met volledige draaggolf en 100 percent gemoduleerd door een enkelvoudige, sinusvormige trilling, wordt toegevoerd aan de antenne. 3 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 35 m bedraagt, moet de zender een minimum normale reikwijdte hebben van ten minste 75 zeemijlen. 4 De zender moet zijn uitgerust met een inrichting voor het automatisch opwekken van het radiotelefonie-alarmsein. Deze inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat zij niet bij vergissing in werking kan worden gesteld. De inrichting moet te allen tijde buiten werking kunnen worden gesteld, teneinde onmiddellijke uitzending van een noodbericht mogelijk te maken. De goede werking van de inrichting moet periodiek worden gecontroleerd op andere frequenties dan de radiotelefonienoodfrequentie, waarbij van een doelmatig geïnstalleerde kunstantenne gebruik moet worden gemaakt. Voor bestaande installaties dient gebruik te worden gemaakt van een geschikte kunstantenne. 5 De in het vierde lid voorgeschreven inrichting moet voldoen aan de volgende eisen: 1°. de frequentietolerantie voor elk der tonen mag + of - 1,5 percent zijn; 2°. de tolerantie in de duur van elke toon mag + of - 50 milliseconden zijn; 3°. de pauze tussen opeenvolgende tonen mag niet groter zijn dan 50 milliseconden; en 4°. de verhouding tussen de amplituden van de sterkste en van de zwakste toon moet liggen tussen 1 en 1,2. 6 De ingevolge het eerste lid vereiste ontvanger moet de radiotelefonienoodfrequentie kunnen ontvangen en ten minste één andere frequentie die beschikbaar is voor radiotelefoonstations voor de scheepvaart in de banden tussen 1605 en 2850 kHz in de door het Radioreglement voor deze frequenties aangewezen klassen van uitzending. Bovendien moet de ontvanger de frequenties en de door het Radioreglement voor deze frequenties aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen, waarop meteorologische berichten en andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk geachte berichten betreffende de veiligheid van de scheepvaart worden uitgezonden. De ontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om seinen hoorbaar te maken in een luidspreker, wanneer de ingangsspanning aan de ontvanger niet meer is dan 50 microvolt. 7 De radiotelefonieluisterwachtontvanger moet vast zijn afgestemd op de radiotelefonienoodfrequentie. De ontvanger moet met een filter zijn uitgerust of met een voorziening waardoor het mogelijk is dat de luidspreker op de brug alleen een ontvangen radiotelefonie-alarmsein of een sein voor zeer belangrijke waarschuwingen betreffende de navigatie weergeeft. Het filter of de voorziening moet gemakkelijk kunnen worden ingeschakeld wanneer naar het oordeel van de kapitein de omstandigheden zodanig zijn dat het onderhouden van de luisterwacht de veilige navigatie van het vaartuig in gevaar zou brengen. 8 Om snelle overgang van zenden op ontvangen mogelijk te maken moet, wanneer regeling met de hand wordt toegepast, de omschakelinrichting op de microfoon- of op het microtelefoonhandvat zijn aangebracht. 9 Buitengaats moet te allen tijde een hoofdkrachtbron van voldoende vermogen beschikbaar zijn om de installatie over de ingevolge het derde lid vereiste normale reikwijdte te doen werken. Een reservekrachtbron moet, buiten de ruimten voor machines van categorie A, in het bovenste deel van het vaartuig zijn opgesteld, tenzij de hoofdkrachtbron reeds aldaar is geplaatst. Indien voor de reservekrachtbron batterijen worden gebruikt, moeten deze onder alle omstandigheden voldoende capaciteit hebben om de zender en de ontvanger onder normale gebruiksomstandigheden gedurende ten minste 6 uren ononderbroken te kunnen doen werken. 10 Behoudens het bepaalde in het elfde lid mag de eventueel aanwezige reservekrachtbron alleen worden gebruikt voor de voeding van: 1°. de radiotelefonie-installatie; 2°. de ingevolge artikel 266, vierde lid, vereiste noodverlichting; 3°. de ingevolge het vierde lid vereiste inrichting voor het opwekken van het radiotelefonie-alarmsein; 4°. de VHF radiotelefonie-installatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 268, derde lid; 5°. de radiotelefonieluisterwachtontvanger; en 6°. de Navtexontvanger. 11 In afwijking van het bepaalde in het tiende lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik van de eventueel aanwezige reservekrachtbron ook toestaan voor de voeding van een richtingzoeker, indien aanwezig, en voor één of meer noodnetten van gering vermogen, die zich uitsluitend bevinden in het bovenste deel van het vaartuig, zoals de noodverlichting van het sloependek, echter onder voorwaarde dat deze extra belastingen gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld en dat de reservekrachtbron van voldoende capaciteit is om aan deze extra belastingen te kunnen voldoen. 12 Teneinde aan de eisen van het negende lid te kunnen voldoen moet buitengaats elke aanwezige batterij in geladen toestand worden gehouden. 13 Een antenne moet zijn aangebracht en moet, indien hij is opgehangen tussen steunpunten die aan zwiepen onderhevig zijn, tegen breuk zijn beveiligd.