BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 266
Vissersvaartuigenbesluit
Radiotelefoonstations ... 1 Het radiotelefoonstation moet zo veilig mogelijk in het bovenste deel van het vaartuig zijn gelegen en zodanig zijn opgesteld, dat het in de grootst mogelijke mate beschermd is tegen lawaai dat aan de goede ontvangst van berichten en seinen afbreuk zou kunnen doen. 2 Er moet een doeltreffende verbinding zijn tussen het radiotelefoonstation en de brug. 3 Een betrouwbaar uurwerk moet op een zodanige plaats vast zijn aangebracht, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk vanaf de bedieningsplaats van de radiotelefonie-installatie kan worden waargenomen. Op de wijzerplaat, waarvan de diameter niet minder dan 125 mm mag bedragen, moeten de door het Radioreglement voor de radiotelefoondienst voorgeschreven stilteperioden zijn aangegeven. 4 Er moet een betrouwbare noodverlichting aanwezig zijn, onafhankelijk van het systeem waaruit de normale verlichting van de radiotelefonie-installatie wordt gevoed en zodanig vast aangebracht, dat zij de bedieningsknoppen van de radiotelefonie-installatie, het in het derde lid vereiste uurwerk en de in het zesde lid vereiste instructie behoorlijk kan verlichten. 5 Wanneer de krachtbron uit een batterij of uit batterijen bestaat, moet het radiotelefoonstation zijn uitgerust met een middel om de ladingtoestand daarvan te controleren. 6 Een instructie die een duidelijke samenvatting geeft van de radiotelefonienoodprocedure, moet aanwezig zijn en zodanig zijn opgehangen, dat zij vanaf de plaats waar de radiotelefonie-installatie wordt bediend, geheel zichtbaar is. 7 Het radiotelefoonstation moet zijn uitgerust met die reserve-onderdelen en gereedschappen, die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nodig zijn om de radiotelefonie-installatie buitengaats in doeltreffende staat te houden. 8 Het radiotelefoonstation moet zijn uitgerust met middelen ter bestrijding van brand, zoals aangegeven in de artikelen 157, zevende lid, en 180, zevende lid.