BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 262
Vissersvaartuigenbesluit
Draagbare radiotoestellen voor groepsreddingmiddelen ... 1 Het ingevolge artikel 197, eerste lid, vereiste toestel moet een zender, een ontvanger, een antenne en een krachtbron omvatten. Het moet zodanig zijn uitgevoerd dat het in geval van nood door een ongeschoold persoon kan worden bediend. 2 Het toestel moet gemakkelijk draagbaar en waterdicht zijn, in zeewater kunnen drijven en zonder onklaar te raken in zee kunnen worden geworpen. Het toestel moet zo licht en zo compact mogelijk zijn en geschikt zijn voor gebruik zowel in reddingvlotten als reddingboten. 3 De zender moet op de radiotelegrafienoodfrequentie kunnen zenden in een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending en, in de banden tussen 4000 en 27 500 kHz, op de radiotelegrafiefrequentie en in een klasse van uitzending als in het Radioreglement voor reddingmiddelen is aangewezen. Als vervanging van of aanvulling op de uitzending op de radiotelegrafiefrequentie, die door het Radioreglement voor reddingmiddelen in de banden tussen 4000 en 27 500 kHz is aangewezen, mag de zender ook kunnen werken op de radiotelefonienoodfrequentie in een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending. 4 Wanneer door het Radioreglement gemoduleerde uitzending is voorgeschreven moet de zender een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en, in geval uitgezonden wordt op radiotelegrafie, een toonfrequentie tussen 450 en 1350 Hz hebben. 5 Behalve met een seinsleutel voor uitzendingen met de hand moet de zender zijn voorzien van een automatische seingever voor de uitzending van radiotelegrafie-alarm- en radiotelegrafienoodseinen. Wanneer met de zender kan worden uitgezonden op de radiotelefonienoodfrequentie, moet hij zijn voorzien van een automatische inrichting voor het uitzenden van het radiotelefonie-alarmsein, die voldoet aan de in artikel 267, vijfde lid, gestelde eisen. 6 De ontvanger moet de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen. Wanneer de zender kan zenden op de radiotelefonienoodfrequentie moet de ontvanger ook die frequentie en een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending kunnen ontvangen. 7 De antenne moet van het zelfdragende type zijn. 8 De zender moet een voldoend hoogfrequentvermogen kunnen afgeven aan de in het eerste lid vereiste antenne. Aan dit voorschrift wordt voldaan indien ten minste 10 Watt aan de anode van de eindtrap of een hoogfrequentvermogen van 2 Watt (A 2) op 500 kHz aan een kunstantenne, bestaande uit een serieschakeling van een zuiver Ohmse weerstand van 15 Ohm en een capaciteit van 100 x 10 12 Farad wordt geleverd. De zender moet bij voorkeur worden gevoed door een handgenerator; wanneer hij wordt gevoed door een batterij moet deze van een duurzaam type en van voldoende capaciteit zijn. 9 Buitengaats moet een radio-officier of een radiotelefonist wekelijks de zender met behulp van een doelmatige kunstantenne beproeven en de batterij, wanneer deze van het type is dat moet worden geladen, ten volle laden.