BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 261
Vissersvaartuigenbesluit
Radiotelegrafie-installaties voor reddingboten ... 1 De ingevolge artikel 197, derde lid, vereiste radiotelegrafie-installatie moet een zender, een ontvanger en een krachtbron omvatten. Zij moet zodanig zijn uitgevoerd dat zij in geval van nood door een ongeschoold persoon kan worden bediend. 2 De zender moet op de radiotelegrafienoodfrequentie kunnen werken in een door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klasse van uitzending. De zender moet eveneens kunnen seinen op de frequentie en in de klasse van uitzending als in het Radioreglement voor reddingmiddelen in de banden tussen 4000 en 27 500 kHz zijn aangewezen. 3 De zender moet, wanneer door het Radioreglement gemoduleerde uitzending is voorgeschreven, een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en een toonfrequentie tussen 450 en 1350 Hz hebben. 4 Behalve met een seinsleutel voor uitzendingen met de hand moet de zender zijn uitgerust met een automatische seingever voor de uitzending van radiotelegrafie-alarm- en radiotelegrafienoodseinen. 5 De zender moet bij gebruik van de vaste antenne op de radiotelegrafienoodfrequentie een minimum normale reikwijdte als omschreven in artikel 258, zevende lid, onder 1, van 25 zeemijlen hebben. Bij het ontbreken van een veldsterktemeting mag worden aangenomen, dat deze reikwijdte wordt behaald indien het produkt van de hoogte van de antenne boven de waterlijn en de effectieve waarde van de antennestroom 10 meter-ampères bedraagt. 6 De ontvanger moet de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen. 7 De krachtbron moet bestaan uit een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit om de zender onder normale bedrijfsomstandigheden onafgebroken gedurende 4 uren te doen werken. Indien de batterij van een type is dat moet worden geladen, dienen de middelen aanwezig te zijn om zulks vanuit het scheepsnet te doen geschieden. Bovendien moeten de nodige middelen aanwezig zijn om haar te laden, nadat de reddingboot te water is gebracht. 8 Wanneer de radiotelegrafie-installatie en het in artikel 221, tweeënveertigste lid, onder 29, vereiste zoeklicht worden gevoed vanuit dezelfde batterij, moet deze van voldoende capaciteit zijn om ook in de extra belasting door het zoeklicht te kunnen voorzien. 9 Een vaste antenne met de middelen om deze op de grootst bereikbare hoogte op te hangen, moet aanwezig zijn. 10 Buitengaats moet een radio-officier wekelijks de zender met behulp van een doelmatige kunstantenne beproeven en de batterij, wanneer deze van een type is dat moet worden geladen, ten volle laden.