BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 259
Vissersvaartuigenbesluit
Radiotelegrafie-auto-alarmtoestellen ... 1 Elk radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, behoudens die toestellen die voor 26 mei 1965 zijn opgesteld, moet aan de volgende minimum eisen voldoen: 1°. bij afwezigheid van storing van welke aard ook, moet het zonder bijregelen met de hand in werking kunnen worden gesteld door elk radiotelegrafie-alarmsein, uitgezonden op de radiotelegrafienoodfrequentie door de zender van een overeenkomstig het Radio-reglement werkend kuststation, de zender van een telegrafie-installatie van een schip of vaartuig, of de zender van een telegrafie-installatie van een reddingmiddel, op voorwaarde dat de signaalsterkte aan de ingang van de ontvanger groter is dan 100 microvolt en kleiner dan 1 volt; 2°. bij afwezigheid van storing van welke aard ook, moet het in werking worden gesteld door drie of vier opeenvolgende strepen, indien de duur van de strepen ligt tussen 3,5 seconden en een waarde zo dicht mogelijk bij 6 seconden en de duur van de tussenruimte tussen de strepen ligt tussen 1,5 seconden en de laagst bereikbare waarde, die bij voorkeur niet kleiner moet zijn dan 10 milliseconden; 3°. het mag niet in werking worden gesteld door luchtstoringen of door enig signaal anders dan het radiotelegrafie-alarmsein, tenzij de ontvangen tekens in feite een signaal vormen, dat binnen de onder 2 aangegeven tolerantiegrenzen valt; 4°. de selectiviteit moet zodanig zijn, dat over een band van ten minste 4, doch niet meer dan 8 kHz, aan weerszijden van de radiotelegrafienoodfrequentie de gevoeligheid nagenoeg eenzelfde waarde heeft en buiten deze band een gevoeligheid die zo snel mogelijk afneemt, een en ander overeenkomstig de stand van de techniek; 5°. het moet bij aanwezigheid van luchtstoringen of van storende signalen zichzelf automatisch regelen, opdat het binnen een redelijk korte tijd weer zo is ingesteld, dat het toestel het radiotelegrafie-alarmsein wederom kan onderscheiden; 6°. het moet, wanneer het in werking wordt gesteld door een radiotelegrafie-alarmsein, of als gevolg van een defect in het toestel, een onafgebroken hoorbare waarschuwing geven in de radiohut, in de slaaphut van de radio-officier en op de brug. Indien mogelijk moet die waarschuwing ook worden gegeven in geval een willekeurig onderdeel van het gehele auto-alarm-ontvangsysteem defect is. Slechts één schakelaar mag aanwezig zijn om het waarschuwingssein te doen ophouden en deze moet zijn aangebracht in de radiohut; 7°. teneinde het toestel regelmatig te kunnen beproeven, moet het zijn voorzien van een op de radiotelegrafienoodfrequentie afgestemde generator en een sleutelinrichting, met behulp waarvan een radiotelegrafie-alarmsein van de minimale sterkte, aangeduid onder 1, kan worden gegeven. Tevens moet een hoofdtelefoon kunnen worden aangesloten teinde de op het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel ontvangen tekens te beluisteren; en 8°. het moet bestand zijn tegen trillingen, vochtigheid en temperatuursverschillen, overeenkomende met die, welke zich onder ongunstige omstandigheden aan boord van een vaartuig op zee kunnen voordoen en het moet onder dergelijke omstandigheden blijven werken. 2 Aan boord van vaartuigen die zijn uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, moet buitengaats de doeltreffende werking ervan ten minste éénmaal per 24 uur worden beproefd door een radio-officier. Wanneer het toestel niet behoorlijk werkt, moet de radio-officier dit feit aan de kapitein of de navigatie-officier van de wacht rapporteren. 3 Een radio-officier moet de goede werking van de ontvanger van het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, aangesloten op zijn normale antenne, periodiek controleren door op het toestel te luisteren naar tekens, uitgezonden op de radiotelegrafienoodfrequentie en deze te vergelijken met de tekens die tegelijkertijd op de hoofdinstallatie op die frequentie worden ontvangen. 4 Het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel mag, wanneer het met een antenne is verbonden, geen invloed hebben op de nauwkeurigheid van de richtingzoeker.