BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 258
Vissersvaartuigenbesluit
Radiotelegrafie-installaties ... 1 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald moet: 1°. het radiotelegraafstation een hoofdinstallatie en een reserve-installatie omvatten, die elektrisch gescheiden en elektrisch onafhankelijk van elkaar zijn; 2°. de hoofdinstallatie een hoofdzender, een hoofdontvanger, een radiotelefonie-luisterwachtontvanger en een hoofdkrachtbron omvatten; 3°. de reserve-installatie, een reservezender, een reserve-ontvanger en een reservekrachtbron omvatten; en 4°. een hoofdantenne en een reserve-antenne aanwezig en aangebracht zijn, met dien verstande dat de reserve-antenne niet behoeft te zijn aangebracht wanneer dat ondoenlijk of onredelijk is. In een dergelijk geval moet een voor het doel geschikte, geheel voor ogenblikkelijk aanbrengen klaargemaakte reserve-hoofdantenne worden meegevoerd. Bovendien moeten, om het mogelijk te maken een voor het doel geschikte antenne op te hangen, in alle gevallen voldoende antennedraad en isolatoren aanwezig zijn. De hoofdantenne moet op doeltreffende wijze tegen breuk zijn beveiligd, indien hij is opgehangen tussen steunpunten die aan zwiepen onderhevig zijn. 2 In installaties op vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt is, wanneer de hoofdzender voldoet aan alle eisen voor de reservezender, deze laatste niet verplicht. 3 De hoofd- en reservezenders moeten vlug kunnen worden verbonden met en afgestemd op de hoofdantenne en op de reserve-antenne wanneer deze is aangebracht. 3 De hoofd- en reserve-ontvangers moeten vlug kunnen worden verbonden met elke antenne, waarmede zij moeten kunnen worden gebruikt. 4 Alle onderdelen van de reserve-installatie moeten zo hoog mogelijk en zo veilig mogelijk in het vaartuig zijn aangebracht. 5 De hoofd- en reservezenders moeten kunnen zenden op de radiotelegrafienoodfrequentie in een klasse van uitzending zoals door het Radioreglement voor die frequentie is aangewezen. Bovendien moet de hoofdzender kunnen zenden op ten minste twee werkfrequenties in de band tussen 405 en 535 kHz, in de door het Radioreglement voor die frequenties aangewezen klasse van uitzending. De reservezender mag bestaan uit een scheepsnoodzender zoals die is omschreven in, en in gebruik beperkt door, het Radioreglement. 6 Wanneer gemoduleerde uitzending door het Radioreglement is voorgeschreven moeten de hoofd- en de reservezenders een modulatiediepte van niet minder dan 70 percent en een toonfrequentie tussen 450 en 1350 Hz hebben. 7 De hoofd- en de reservezenders moeten, verbonden met de hoofdantenne, een minimum normale reikwijdte hebben als hierna aangegeven; daarbij moeten zij in staat zijn duidelijk waarneembare tekens van schip tot schip, bij dag en onder normale condities en omstandigheden over de aangegeven afstanden over te brengen. Duidelijk waarneembare tekens zullen in normale omstandigheden worden ontvangen, wanneer de effectieve waarde van de veldsterkte bij de ontvanger ten minste 50 microvolt per meter is. Minimum normale reikwijdtein zeemijlen hoofdzender reservezender vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt 150 100 vaartuigen waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt 100 75 Wanneer geen directe meting van de veldsterkte kan worden uitgevoerd, mogen de volgende gegevens als leidraad voor een benadere bepaling van de normale reikwijdte worden gebruikt: 1.1°. in geval van antennes die niet van het zelfdragende type zijn: Normale reikwijdte in zeemijlen Meter-ampères (1) 200 128 175 102 150 76 125 58 100 45 75 34 1.2°. in geval van zelfdragende zendantennes: Normale reikwijdte in zeemijlen Meter-ampères (2) 200 305 175 215 150 150 125 110 100 85 75 55 Noten: (1) Het product van de afstand (in meters) van het hoogste gedeelte van de antenne tot de hoogst gelegen lastlijn en de antennestroom (in ampères). De in de tweede kolom van de tabel gegeven waarden komen overeen met een gemiddelde waarde van de verhouding: effectieve antennehoogte = 0,47 maximum antennehoogte Deze verhouding is afhankelijk van de plaats van de antenne en kan variëren tussen ongeveer 0,3 en 0,7. (2) Het product van de afstand (in meters) van het hoogste deel van de antenne tot de hoogst gelegen lastlijn en de stroom (in ampères) gemeten aan de basis van het stralende gedeelte van de antenne. De in de tweede kolom gegeven waarden zijn gebaseerd op de propagatiekrommen gegeven in aanbeveling 368-2 van de Internationale Raadgevende Commissie inzake Radio-aangelegenheden (International Radio Consultative Committee, CCIR) en ook op de methode, de resultaten van proeven en de berekeningen in CCIR-rapport 502-1 en in Oordeel 43.1. Het noodzakelijke aantal meterampères is sterk afhankelijk van de plaats van de antenne. 7 De radiotelegrafie-installatie moet voorzieningen bevatten voor radiotelefonie-uitzendingen en ontvangst op de radiotelefonienoodfrequentie alsmede voor het testen van de goede werking van de radiotelefonie-alarmseingever, bedoeld in het achtste lid, onder 4. Aan deze eis kan worden voldaan door zulke voorzieningen op te nemen in de hoofd- of reserve-installatie of in andere geïnstalleerde apparatuur. Het zendvermogen en de ontvangstgevoeligheid van het radiotelefoniegedeelte van de installatie moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 267, derde lid, onder 1, onderscheidenlijk artikel 267, zesde lid, indien dat gedeelte is aangebracht op of na 1 september 1986. Van installaties die vóór die datum zijn aangebracht, moeten bedoeld zendvermogen en ontvangstgevoeligheid zodanig zijn als bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De plaats van en de overige voorwaarden voor de in dit artikel vereiste radiotelefonievoorzieningen moeten zodanig zijn als bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, behalve wanneer deze voorzieningen een onderdeel vormen van de hoofd- of reserveradiotelegrafie-installatie. 8 De hoofd- en de reserve-ontvangers moeten de radiotelegrafienoodfrequentie en de door het Radioreglement voor die frequentie aangewezen klassen van uitzending kunnen ontvangen. 8 Bovendien moet de hoofdontvanger in staat zijn de frequenties en klassen van uitzending te ontvangen waarop tijdseinen, meteorologische berichten en de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie noodzakelijk geachte mededelingen betreffende de veiligheid van de scheepvaart worden uitgezonden. 8 De radiotelefonieluisterwachtontvanger moet vast zijn afgestemd op de radiotelefonienoodfrequentie. De ontvanger moet met een filter zijn uitgerust of met een voorziening waardoor het mogelijk is dat de luidspreker alleen een ontvangen radiotelefonie-alarmsein of een sein voor zeer belangrijke waarschuwingen betreffende de navigatie weergeeft. Het filter of de voorziening moet gemakkelijk kunnen worden ingeschakeld wanneer naar het oordeel van de kapitein de omstandigheden zodanig zijn dat het onderhouden van de luisterwacht de veilige navigatie van het vaartuig in gevaar zou brengen. 8 De ingevolge het zevende lid, onder 2, vereiste voorziening voor radiotelefonie-uitzendingen moet zijn uitgerust met een inrichting voor het automatisch opwekken van het radiotelefonie-alarmsein. Deze inrichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat zij niet bij vergissing in werking kan worden gesteld en moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 267, vijfde lid. De inrichting moet te allen tijde buiten werking kunnen worden gesteld teneinde de onmiddellijke uitzending van een noodbericht mogelijk te maken. Voor installaties die zijn aangebracht vóór 1 september 1986, moet het aanbrengen van een inrichting voor het automatisch opwekken van het radiotelefonie-alarmsein geschieden zoals bepaald door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. De goede werking van de inrichting moet periodiek worden gecontroleerd op andere frequenties dan de radiotelefonienoodfrequentie, waarbij gebruik moet worden gemaakt van een doelmatig geïnstalleerde kunstantenne. Voor bestaande installaties dient gebruik te worden gemaakt van een geschikte kunstantenne. 9 De hoofdontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om tekens hoorbaar te maken in een hoofdtelefoon of een luidspreker, wanneer de ingangsspanning aan de ontvanger niet meer is dan 50 microvolt. De reserve-ontvanger moet voldoende gevoeligheid hebben om tekens hoorbaar te maken, wanneer de ingangsspanning aan de ontvanger niet meer is dan 100 microvolt. 10 Te allen tijde moet buitengaats een elektrische krachtbron beschikbaar zijn van voldoende vermogen, om zowel de hoofdinstallatie over de ingevolge het zevende lid, onder 1, vereiste reikwijdte te doen werken als om alle batterijen die deel uitmaken van het radiotelegraafstation te laden. De voedingsspanning voor de hoofdinstallatie moet constant worden gehouden binnen + en - 10 percent van de nominale spanning. 11 De reserve-installatie moet zijn voorzien van een krachtbron die onafhankelijk is van de voortstuwings- en elektrische installatie van het vaartuig. 12 De reservekrachtbron moet bij voorkeur bestaan uit accumulatorenbatterijen die mogen worden geladen door het scheepsnet; hij moet onder alle omstandigheden snel in werking kunnen worden gesteld en moet naast elk der in het dertiende en veertiende lid genoemde extra belastingen, de reservezender en -ontvanger gedurende ten minste 6 achtereenvolgende uren onder normale gebruiksomstandigheden kunnen voeden. 13 De reservekrachtbron moet worden gebruikt voor voeding van de reserve-installatie en de automatische alarmseingever, bedoeld in het achttiende lid, indien deze elektrisch werkt. De reservekrachtbron mag ook worden gebruikt voor voeding van: 1°. het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel; 2°. de noodverlichting, bedoeld in artikel 257, zevende lid; 3°. de richtingzoeker; 4°. de VHF radiotelefonie-installatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 268, derde lid; 5°. de inrichting voor het opwekken van het radiotelefonie-alarmsein; 6°. de radiotelefonieluisterwachtontvanger; 7°. de Navtexontvanger; 8°. elk door het Radioreglement voorgeschreven apparaat voor de overgang van zenden op ontvangen en omgekeerd. Behoudens het bepaalde in het veertiende lid mag de reservekrachtbron niet voor andere dan de in dit lid aangegeven doeleinden worden gebruikt. 14 In afwijking van het bepaalde in het dertiende lid kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de reservekrachtbron wordt gebruikt voor een klein aantal noodnetten van gering vermogen, die zich uitsluitend bevinden in het bovenste deel van het vaartuig, zoals noodverlichting op het sloependek, echter onder voorwaarde dat deze netten, indien nodig, gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld en dat de reservekrachtbron van voldoende capaciteit is om aan de extra belasting te kunnen voldoen. 15 De reservekrachtbron en het erbij behorende schakelbord moeten, buiten de ruimten voor machines van categorie A, zo hoog als praktisch mogelijk is in het vaartuig zijn opgesteld en gemakkelijk bereikbaar zijn voor de radio-officier. Het schakelbord moet zich als dit mogelijk is, in de radiohut bevinden; wanneer dit niet het geval is, moet het kunnen worden verlicht. 16 Buitengaats moeten de accumulatorenbatterijen, onverschillig of zij deel uitmaken van de hoofdinstallatie of van de reserve-installatie, dagelijks op hun volle normale lading worden gebracht. 17 Alle maatregelen moeten worden getroffen om de oorzaken van storing van de radio door elektrische en andere apparaten aan boord, voorzover dit mogelijk is, op te heffen en deze storingen te onderdrukken. Indien nodig moeten maatregelen worden getroffen om te waarborgen, dat de met omroepontvangers verbonden antennes de doeltreffende of juiste werking van de radiotelegrafie-installatie niet storen. 18 Naast een middel om het radiotelegrafie-alarmsein met de hand uit te zenden, moet een automatische radiotelegrafie-alarmseingever aanwezig zijn die met de hoofd- en de reservezenders het radiotelegrafie-alarmsein kan uitzenden. Teneinde onmiddellijke bediening van de zender met de hand mogelijk te maken, moet het apparaat te allen tijde buiten gebruik kunnen worden gesteld. Indien het apparaat elektrisch werkt, moet het op de reservekrachtbron kunnen werken. 19 Buitengaats moet de reservezender, indien niet in gebruik voor verkeer, dagelijks worden beproefd met een daarvoor geschikte kunstantenne en ten minste éénmaal gedurende elke reis met de reserve-antenne, indien deze is aangebracht. Ook de reservekrachtbron moet dagelijks worden beproefd. 20 Alle apparaten waaruit de radiotelegrafie-installatie is samengesteld, moeten bedrijfszeker zijn en zodanig zijn geconstrueerd, dat zij gemakkelijk voor onderhoud toegankelijk zijn.