BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 257
Vissersvaartuigenbesluit
Radiotelegraafstations ... 1 Het radiotelegraafstation moet zodanig zijn gelegen, dat de goede ontvangst van radioseinen niet hinderlijk wordt gestoord door lawaai van buitenaf van mechanische of andere aard. Het station moet zo hoog als praktisch uitvoerbaar is en zo veilig mogelijk in het vaartuig zijn opgesteld. 2 De radiohut moet van voldoende afmetingen zijn en behoorlijk kunnen worden geventileerd om het mogelijk te maken de hoofd- en reservetelegrafie-installaties doelmatig te doen bedienen; de hut mag niet worden gebruikt voor enig doel, dat de bediening van het radiotelegraafstation zou kunnen belemmeren. 3 De slaapplaats van ten minste één radio-officier moet zo dicht bij de radiohut zijn gelegen als praktisch uitvoerbaar is. Deze slaapplaats mag zich niet in de radiohut bevinden. 4 Tussen de radiohut en de brug en eventueel een andere plaats, vanwaar genavigeerd wordt, moet een doelmatig tweezijdig systeem voor oproep en mondeling contact aanwezig zijn, dat onafhankelijk moet zijn van het hoofdcommunicatiesysteem van het vaartuig. 5 De radiotelegrafie-installatie moet op een zodanige plaats zijn opgesteld, dat zij is beschermd tegen schadelijke inwerking van water of van extreme temperaturen. Zij moet gemakkelijk toegankelijk zijn, zowel voor onmiddellijk gebruik in een noodgeval als voor herstelwerkzaamheden. 6 Er moet een betrouwbaar uurwerk aanwezig zijn met een wijzerplaat van niet minder dan 125 mm middellijn, waarop de door het Radioreglement voor de radiotelegraafdienst voorgeschreven stilteperioden zijn aangegeven. Dit uurwerk moet zijn voorzien van een in het middelpunt van de wijzerplaat geplaatste secondewijzer. Het moet solide op een dusdanige plaats in de radiohut zijn gemonteerd, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk en nauwkeurig door de radio-officier vanaf de bedieningsplaats van de radiotelegrafie-installatie en vanaf de plaats, waar het radiotelegrafie-auto-alarmtoestel wordt beproefd, kan worden waargenomen. 7 In de radiohut moet een betrouwbare noodverlichting, bestaande uit een elektrische lamp, die de bedieningsknoppen van de hoofd- en reserveradiotelegrafie-installaties en het in het voorgaande lid vereiste uurwerk voldoende verlicht, vast zijn aangebracht. Indien aangesloten op de ingevolge artikel 258, eerste lid, onder 3, vereiste reservekrachtbron moet deze lamp kunnen worden in- en uitgeschakeld door middel van hotelschakelaars die zijn geplaatst nabij de hoofdingang van de radiohut en bij de bedieningsplaats van de radiotelegrafie-installatie, tenzij de inrichting van de radiohut zulks overbodig maakt. Deze schakelaars moeten van een duidelijke aanwijzing zijn voorzien waaruit hun doel blijkt. 8 Er moet óf een elektrische looplamp die door de ingevolge artikel 258, eerste lid, onder 3, vereiste reservekrachtbron wordt gevoed en is voorzien van een flexibel snoer van voldoende lengte, óf een zaklantaarn aanwezig zijn en in de radiohut worden bewaard. 9 Het radiotelegraafstation moet zijn uitgerust met die reserve-onderdelen, gereedschappen en meetapparaten, die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nodig zijn om de radiotelegrafie-installatie buitengaats in doeltreffende staat te houden. De meetapparatuur moet een instrument of instrumenten voor het meten van wisselspanningen, gelijkspanningen en weerstanden omvatten. 10 Wanneer een afzonderlijke noodradiohut aanwezig is, moeten de eisen ingevolge het vierde tot en met het achtste lid daarop worden toegepast. 11 Het radiotelegraafstation moet zijn uitgerust met middelen ter bestrijding van brand, zoals aangegeven in de artikelen 157, zevende lid, en 180, zevende lid.