BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 254
Vissersvaartuigenbesluit
Luisterdienst radiotelegrafie ... 1 Aan boord van een vaartuig dat ingevolge het bepaalde in artikel 250 of 251 is uitgerust met een radiotelegraafstation, moet een radio-officier als chef van het scheepsstation zijn aangewezen. Buitengaats moet door de radio-officier, door middel van een hoofdtelefoon of luidspreker worden geluisterd op de radiotelegrafienoodfrequentie gedurende de hieronder aangegeven tijden: 1°. indien het niet is uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel: de gehele duur van de reis; 2°. indien het is uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel: 2.1. ten minste 8 uren in totaal per dag, indien de lengte van het vaartuig 75 m of meer bedraagt; 2.2. gedurende een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalde tijdsduur, indien de lengte van het vaartuig minder dan 75 m bedraagt. 2 Gedurende de tijd dat een radio-officier ingevolge het bepaalde in het eerste lid moet uitluisteren op de radiotelegrafienoodfrequentie, mag de radio-officier de luisterdienst onderbreken gedurende de tijd waarin hij verkeer op andere frequenties behandelt of andere belangrijke radiowerkzaamheden verricht, doch alleen wanneer het praktisch onmogelijk is met een gesplitste hoofdtelefoon of met een luidspreker op de radiotelegrafienoodfrequentie te blijven luisteren. Tijdens de in het Radioreglement voorgeschreven stilteperiode mag de in het eerste lid voorgeschreven luisterdienst echter niet worden onderbroken, maar moet deze altijd worden onderhouden door een radio-officier die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of luidspreker. Onder de in dit lid bedoelde belangrijke radiowerkzaamheden zijn begrepen het dringend herstel van radiocommunicatie-apparatuur voor veiligheidsdoeleinden, en van radionavigatie-apparatuur in opdracht van de kapitein. 3 Bovendien kan de luisterdienst in opdracht van de kapitein worden onderbroken om onderhoudswerkzaamheden te verrichten ter voorkoming van een dreigend defect aan radiocommunicatie-apparatuur voor veiligheidsdoeleinden, aan radionavigatie-apparatuur, en aan andere elektronische navigatie-apparatuur met inbegrip van reparaties daaraan. Deze onderbreking van de luisterdienst is slechts toegestaan, indien het praktisch onmogelijk is met een gesplitste hoofdtelefoon of met een luidspreker op de radiotelegrafienoodfrequentie te blijven luisteren, en het vaartuig is uitgerust met een decoder voor selectieve aanroepen, die voldoet aan de eisen van het Radioreglement. Tijdens de in het Radioreglement voorgeschreven stilteperioden mag de luisterdienst echter niet worden onderbroken, maar moet deze altijd worden onderhouden door een radio-officier die daarbij gebruik maakt van een hoofdtelefoon of luidspreker. 4 Aan boord van een vaartuig, uitgerust met een radiotelegrafie-auto-alarmtoestel, moet buitengaats dit toestel bijstaan gedurende de tijd dat geen luisterdienst als bedoeld in het eerste lid, wordt gehouden, ook tijdens het nemen van radiopeilingen indien deze daardoor niet worden beïnvloed. 5 De in het eerste lid voorgeschreven luistertijden moeten bij voorkeur worden gehouden tijdens de door het Radioreglement voor de radiotelegraafdienst voorgeschreven tijdvakken.