BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 241
Vissersvaartuigenbesluit
Appèls en oefeningen ... 1 Ieder bemanningslid moet ten minste eenmaal per maand deelnemen aan een oefening «schip verlaten» en een oefening in het blussen van brand. Deze oefeningen voor de bemanning moeten tevens in ieder geval plaatsvinden binnen 24 uur nadat het vaartuig een haven heeft verlaten, wanneer meer dan 25 percent van de bemanning in de voorafgaande maand niet heeft deelgenomen aan dergelijke oefeningen aan boord van dat vaartuig. 2 Iedere oefening «schip verlaten» moet onder meer omvatten: 1°. het oproepen van de bemanning naar hun verzamelplaatsen door middel van de alarminstallatie voorgeschreven in artikel 239, tweede lid, en het zeker stellen dat zij op de hoogte zijn gebracht van het sein «schip verlaten», vermeld in de alarmrol; 2°. het melden op de verzamelplaatsen en het voorbereiden op de taken vermeld in de alarmrol; 3°. een controle op doelmatige kleding van de bemanning; 4°. een controle of de reddinggordels goed zijn aangedaan; 5°. het afvieren van ten minste een reddingboot nadat deze voor het afvieren is gereed gemaakt; 6°. het starten en laten draaien van de reddingbootmotor; en 7°. het bedienen van de tewaterlatingsmiddelen voor de reddingvlotten van het strijkbare type. 3 Bij het afvieren als voorgeschreven in het tweede lid, onder 5, moeten, voor zover uitvoerbaar, bij opeenvolgende oefeningen de reddingboten afwisselend worden gebruikt. 4 Voor zover uitvoerbaar moeten de oefeningen «schip verlaten» worden uitgevoerd alsof er daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie. 5 Iedere reddingboot moet ten minste eenmaal in de drie maanden tijdens een oefening «schip verlaten» met de aangewezen bemanning aan boord te water worden gelaten, waarbij tevens met de boot moet worden gevaren. 6 Voor zover dat redelijk en uitvoerbaar is moeten hulpverleningsboten, andere dan hulpverleningsboten die tevens dienstdoen als reddingboten, iedere maand met hun aangewezen bemanning te water worden gelaten waarbij tevens moet worden gevaren. In ieder geval moet dit ten minste éénmaal in de drie maanden geschieden. 7 Wanneer oefeningen met het te water laten van hulpverleningsboten gehouden worden met een vaartlopend vaartuig, moeten deze oefeningen in verband met de gevaren die daaraan verbonden zijn, uitsluitend uitgevoerd worden in beschutte wateren en onder toezicht van een scheepsofficier met ervaring in dergelijke oefeningen. 8 De noodverlichting ten behoeve van het verzamelen en het «schip verlaten» moet bij iedere oefening «schip verlaten» worden beproefd. 9 De oefeningen in het blussen van brand dienen er op gericht te zijn dat de leden van de bemanning vertrouwd raken met de inrichtingen en voorzieningen van het vaartuig, met hun taak en met het gebruik van de daarbij benodigde middelen. Voor zover uitvoerbaar moeten deze oefeningen worden uitgevoerd alsof er daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie. Alle brandbluspompen moeten tijdens zulke oefeningen worden beproefd.