BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 23
Vissersvaartuigenbesluit
Veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen ... 1 Een vaartuig moet een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen aan boord hebben. 2 Een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen wordt afgegeven nadat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 1 en 3, is gebleken, dat aan de voorschriften van de hoofdstukken 2 tot en met 10 is voldaan. 3 De aanvraag tot het verkrijgen van een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen moet vergezeld gaan van de nodige gegevens betreffende de redding- en veiligheidsmiddelen, de verdere uitrusting en van de radio-installaties en -toestellen. 4 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt vast voor welk tijdvak een door hem afgegeven veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen zal gelden, met dien verstande dat dit tijdvak niet langer mag zijn dan vijf jaar. 4 Indien een vaartuig zich ten tijde van het aflopen van de geldigheidsduur van het veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen in het buitenland bevindt, kan de geldigheidsduur van genoemd certificaat door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd met een tijdsduur van ten hoogste vijf maanden, teneinde het vaartuig in staat te stellen zijn reis te voltooien naar een haven waar het aan een onderzoek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3, zal worden onderworpen. 4 Een vaartuig ten behoeve waarvan een verlenging als bedoeld onder 4.2 is verleend, mag, nadat het in de haven waar het aan het onderzoek zal worden onderworpen is aangekomen, niet krachtens een dergelijke verlenging die haven verlaten zonder een nieuw veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen te hebben verkregen. 4 Een niet op grond van het bepaalde onder 4.2 verlengde geldigheidsduur van een veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen kan door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden verlengd voor een tijdsduur van ten hoogste een maand, aanvangende op de op het certificaat vermelde vervaldatum. 5 Het veiligheidscertificaat voor vissersvaartuigen moet door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van aantekeningen worden voorzien waaruit blijkt dat de inspecties bedoeld in artikel 12, derde lid en vierde lid, onder 2 en 3, hebben plaatsgevonden.