BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 227
Vissersvaartuigenbesluit
Loodsladders ... 1 Aan boord van een vaartuig dat reizen maakt waarbij het waarschijnlijk is dat van een loods gebruik zal worden gemaakt, moet een deugdelijke loodsladder aanwezig zijn die loodsen in staat stellen veilig aan en van boord te gaan. 2 Een loodsladder dient aan de volgende eisen te voldoen: 1°. de ladder moet uit een enkele lengte bestaan en lang genoeg zijn om vanaf de inschepingsplaats aan boord het water te bereiken. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle beladingstoestanden van het vaartuig, met kop- of stuurlast en met slagzij naar de andere zijde van 15 graden; 2°. de treden van de loodsladder dienen: 2.1. te zijn vervaardigd van hardhout of ander materiaal met gelijkwaardige eigenschappen, uit één stuk te bestaan zonder kwasten en een doelmatig stroeve bovenzijde te hebben. De onderste vier treden mogen zijn vervaardigd van rubber van voldoende sterkte en stijfheid of van ander geschikt materiaal met gelijkwaardige eigenschappen; 2.2. niet minder dan 480 mm lang, 115 mm breed en 25 mm dik te zijn, eventueel gebruikt anti-slipmateriaal niet meegerekend; en 2.3. op gelijke afstanden van niet minder dan 300 mm en niet meer dan 380 mm van elkaar te zijn geplaatst en op zodanige wijze te zijn bevestigd dat zij de horizontale stand behouden; 3°. in een loodsladder mogen niet meer dan twee vervangende treden voorkomen die op hun plaats worden gehouden op een wijze die afwijkt van die waarop de oorspronkelijke treden zijn bevestigd. Elke trede die zo is vastgezet, dient zo spoedig mogelijk te worden vervangen door een trede die is bevestigd op de wijze zoals bij de oorspronkelijke samenstelling van de ladder is gebezigd. Indien vervangende treden aan de zijleiders zijn bevestigd door middel van uitsparingen in de zijkant van de treden, dienen deze uitsparingen zich te bevinden in de lange zijden van de treden; 4°. de zijleiders van de ladder dienen aan elke zijde te bestaan uit twee onbeklede manila-einden met een omtrek van ten minste 60 mm. Elk eind dient uit één stuk te bestaan zonder verbindingen in de lange zijden van de treden; en 5°. spreilatten vervaardigd van hardhout of ander materiaal met gelijkwaardige eigenschappen, uit één stuk bestaande en met een lengte van niet minder dan 1,80 m, dienen op zodanige afstanden te zijn aangebracht dat er geen slag in de loodsladder kan komen. De laagste spreilat dient te zijn aangebracht ter plaatse van de vijfde trede van onderen en de tussenruimte tussen twee spreilatten mag niet meer dan 9 treden bedragen. 3 Waar speciale constructies zoals berghouten, verhinderen dat de treden van de loodsladder stevig tegen de scheepshuid rusten, dienen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zodanige maatregelen te worden getroffen dat het aan of van boord gaan veilig kan geschieden. 4 Een mechanische loodsladder en bijbehorende uitrusting moeten van een goedgekeurd type zijn. De installatie moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de loods veilig aan of van boord kan gaan, een veilige toegang van de ladder naar het dek en omgekeerd inbegrepen.