BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 218
Vissersvaartuigenbesluit
Algemene eisen voor reddingvlotten ... 1 Een reddingvlot moet zo zijn vervaardigd dat het drijvende, gedurende 30 dagen bestand is tegen blootstelling aan invloeden van weer en zee in alle toestanden van zeegang. 2 Een reddingvlot moet zo zijn vervaardigd dat, indien het van een hoogte van 18 m in het water wordt geworpen, het vlot en de uitrusting naar behoren blijven werken. Wanneer het reddingvlot op een hoogte van meer dan 18 m boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater wordt geplaatst, moet het van een type zijn dat een valproef van ten minste die hoogte met goed gevolg heeft ondergaan. 3 Het drijvende reddingvlot moet bestand zijn tegen herhaalde sprongen daarop, vanaf een hoogte van ten minste 4,5 m boven de vloer van het vlot, zowel met als zonder opstaande overkapping. 4 Een reddingvlot met toebehoren moet zo zijn vervaardigd dat het met zijn volle bezetting en volledige uitrusting, en met een van de drijfankers uitgebracht, in kalm water met een vaart van 3 zeemijl per uur kan worden gesleept. 5 Het reddingvlot moet een overkapping hebben, die automatisch wordt opgezet wanneer het vlot te water wordt gelaten, teneinde de inzittenden te beschermen tegen weersinvloeden. De overkapping moet aan de volgende eisen voldoen: 1°. zij moet bescherming bieden tegen hitte en koude door middel van twee lagen materiaal, gescheiden door een luchtlaag, of door andere, even doeltreffende middelen. Er dienen voorzieningen te zijn getroffen om het binnendringen van water in de luchtlaag te voorkomen; 2°. de binnenkant moet een kleur hebben die voor de inzittenden van het reddingvlot niet hinderlijk is; 3°. elke ingang moet duidelijk zijn aangegeven en zijn voorzien van doeltreffende, verstelbare afsluitmiddelen die zeewater, wind en kou buitensluiten, en die gemakkelijk en snel van binnenuit en van buitenaf geopend kunnen worden zodat ventilatie mogelijk is. Reddingvlotten bestemd voor meer dan 8 personen, moeten ten minste twee tegenover elkaar gelegen ingangen hebben; 4°. zij moet te allen tijde, zelfs met afgesloten ingangen, voldoende lucht voor de inzittenden toelaten; 5°. zij moet zijn voorzien van ten minste één uitkijkopening; 6°. zij moet zijn voorzien van middelen voor het opvangen van regenwater; en 7°. onder alle delen van de overkapping moet voldoende hoofdruimte geboden worden aan de inzittenden in zittende houding. 6 Een reddingvlot bestemd voor minder dan zes personen, is niet toegestaan. 7 Tenzij een reddingvlot te water gelaten wordt door een goedgekeurd tewaterlatingsmiddel dat voldoet aan het bepaalde in artikel 224, en zulk een reddingvlot bovendien niet draagbaar behoeft te zijn, mag de totale massa van een reddingvlot, de verpakking en de uitrusting niet meer dan 185 kg bedragen. 8 Langs de binnen- en buitenzijde van het reddingvlot moeten stevig vastgezette grijplijnen zijn aangebracht. 9 Het reddingvlot moet zijn uitgerust met voorzieningen voor het in gebruiksklare toestand plaatsen en vastzetten van de antenne behorende bij het draagbaar radiotoestel, voorgeschreven in artikel 197, eerste lid. 10 Het reddingvlot moet zijn uitgerust met een doelmatige vanglijn met een lengte van niet minder dan 15 m of van tweemaal de afstand vanaf de opstellingsplaats tot de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater, welke van beide het grootste is. 11 In aanvulling op de bovenstaande bepalingen moet een reddingvlot van het strijkbare type aan de volgende eisen voldoen: 1°. wanneer het reddingvlot beladen is met de volle bezetting en volledige uitrusting moet het een zijdelingse slag tegen de scheepshuid met een stootsnelheid van ten minste 3,5 m/s en tevens een val op het water van een hoogte van ten minste 3 m kunnen doorstaan, zonder dat schade ontstaat waardoor de goede werking wordt aangetast; en 2°. het moet zijn voorzien van middelen om het reddingvlot langs het inschepingsdek te brengen en daar te houden gedurende de inscheping. 12 Ieder reddingvlot van het strijkbare type moet zo zijn ingericht dat het volledige aantal personen waarvoor het vlot is bestemd, zich kan inschepen in niet meer dan 3 minuten vanaf het moment dat het bevel tot inscheping wordt gegeven. 13 De standaarduitrusting van ieder reddingvlot moet bestaan uit: 1°. een drijvende werplijn van ten minste 30 m lengte, waarvan het ene uiteinde is voorzien van een drijvende werpring en het andere uiteinde aan het reddingvlot is vastgemaakt; 2°. een mes van een niet vouwbaar type met een heft dat blijft drijven, verbonden aan het vlot met een lijn en geborgen in een zak op de buitenkant van de overkapping nabij de plaats waar de vanglijn aan het reddingvlot is bevestigd. Daarnaast moet een reddingvlot bestemd voor 13 of meer personen, zijn voorzien van een tweede mes dat van een vouwbaar type mag zijn; 3°. een drijvend hoosvat. Een reddingvlot bestemd voor 13 of meer personen moet zijn uitgerust met twee drijvende hoosvaten; 4°. twee sponzen; 5°. twee drijfankers, ieder met een schokbestendige sleeplijn en kaailijn, waarvan er één dient als reserve en één blijvend aan het reddingvlot moet zijn bevestigd en wel op een zodanige manier dat wanneer het reddingvlot opgeblazen wordt of in het water ligt, het drijfanker er automatisch voor zorgt dat het reddingvlot op de meest stabiele wijze met de kop op de wind komt te liggen. De sterkte van het drijfanker, de sleeplijn en de kaailijn moet geschikt zijn voor elke toestand van de zee; 6°. twee drijvende pagaaien; 7°. drie blikopeners of drie veiligheidsmessen die voorzien zijn van een blikopener; 8°. een waterdichte medicijnkist die na gebruik weer goed gesloten kan worden, met een bij ministeriële regeling vast te stellen inhoud, met de daarbij behorende controlelijst en handleidingen; 9°. een fluit of een gelijkwaardig middel voor het geven van geluidsignalen; 10°. vier valschermsignalen die voldoen aan het bepaalde in artikel 215; 11°. zes handstakellichten die voldoen aan het bepaalde in artikel 216; 12°. twee drijvende rooksignalen die voldoen aan het bepaalde in artikel 217; 13°. een waterdichte elektrische lantaarn geschikt voor het geven van morseseinen, alsmede een stel reservebatterijen en een reservelamp, verpakt in een waterdichte houder; 14°. een doelmatige radarreflector of gelijkwaardig middel voor ontdekking door middel van radar; 15°. een dagseinspiegel met gebruiksaanwijzingen voor het seinen naar vaartuigen, schepen en vliegtuigen; 16°. een exemplaar van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgestelde lijst van reddingseinen, afgedrukt op een waterbestendige kaart of geborgen in een waterdichte verpakking; 17°. een vislijn met haken; 18°. een noodrantsoen met een voedingswaarde van ten minste 10 000 kJ voor elk van de personen waarvoor het reddingvlot is bestemd; deze noodrantsoenen moeten worden bewaard in een luchtdichte verpakking en zijn geborgen in een waterdichte houder; 19°. waterdichte houders die samen 1,5 liter zoet water bevatten voor elk van de personen waarvoor het reddingvlot is bestemd; hiervan mag 0,5 liter per persoon vervangen worden door een ontzoutingsapparaat dat in 2 etmalen een gelijke hoeveelheid zoet water kan produceren; 20°. een roestvrije drinkbeker met maatverdeling; 21°. voor elk van de personen waarvoor het reddingvlot is bestemd, zes doses van een middel tegen zeeziekte en een zak voor overgeven bij zeeziekte; 22°. aanwijzingen voor het overleven op zee; 23°. instructies omtrent maatregelen die onmiddellijk na inscheping in het vlot moeten worden genomen; en 24°. hulpmiddelen tegen warmteverlies die voldoen aan het bepaalde in artikel 214, voldoende voor 2 personen of 10 percent van het aantal personen waarvoor het reddingvlot is bestemd, welke van beide het grootste is. 14 De aanduiding betreffende het bij het reddingvlot verpakte type noodpakket, voorgeschreven in artikel 219, achttiende lid, onder 5, en artikel 220, dertiende lid, onder 7, op reddingvlotten die overeenkomstig het voorgaande lid zijn uitgerust, moet zijn: «SOLAS-A-PACK» in blokletters. 15 De daartoe geschikte onderdelen van de uitrusting moeten worden geborgen in een verpakking die, wanneer deze geen volledig onderdeel is van of blijvend bevestigd is aan het reddingvlot, moet worden geborgen en vastgezet binnen het reddingvlot, en die ten minste 30 minuten in het water moet kunnen drijven zonder dat de inhoud wordt beschadigd. 16 Het vanglijnsysteem van een reddingvlot moet een verbinding tussen het vaartuig en het reddingvlot vormen, en moet zo zijn ingericht dat het reddingvlot, wanneer het ontkoppeld is en, in het geval van een opblaasbaar reddingvlot, wanneer het opgeblazen is, niet door het zinkende vaartuig ondergetrokken kan worden. 17 Indien in de voorziening voor vrij opdrijven een breekdraad wordt toegepast, moet deze aan de volgende eisen voldoen: 1°. hij mag niet breken bij de kracht die nodig is om de vanglijn uit de verpakking van het reddingvlot te trekken; 2°. indien van toepassing, mag hij niet breken bij het opblazen van het reddingvlot; en 3°. hij moet breken bij een kracht gelegen tussen 1.8 kN en 2.6 kN. 18 Indien in de voorziening voor vrij opdrijven een hydrostatisch ontkoppelingssysteem wordt toegepast, moet dit aan de volgende eisen voldoen: 1°. het moet zijn vervaardigd uit niet op elkaar inwerkende materialen, om te voorkomen dat het systeem onklaar raakt. Gegalvaniseerde of op andere wijze met metaal bedekte delen mogen niet worden gebruikt als onderdelen van het systeem; 2°. het reddingvlot moet automatisch ontkoppeld worden op een diepte onder water van niet meer dan 4 m; 3°. het moet afvoergaten hebben om te voorkomen dat een opeenhoping van water in de hydrostatische ruimte ontstaat, wanneer de inrichting normaal is opgesteld; 4°. het moet zo vervaardigd zijn dat ontkoppeling bij overkomend water wordt voorkomen; 5°. het moet op de buitenkant onuitwisbaar zijn gemerkt met type en serienummer; 6°. voor elk hydrostatisch ontkoppelingssysteem moet aan boord van een vaartuig dat voorzien is van een dergelijk systeem, een document aanwezig zijn waarop de fabricagedatum, het type en het serienummer vermeld zijn, alsmede de datum van de laatste periodieke keuring, bedoeld in artikel 209, negende lid; en 7°. het moet zo zijn ontworpen, dat ieder onderdeel verbonden met het vanglijnsysteem, een sterkte heeft die niet minder is dan die vereist voor de vanglijn.