BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 213
Vissersvaartuigenbesluit
Overlevingspakken ... 1 Een overlevingspak moet uit waterdicht materiaal zijn vervaardigd en wel zodanig dat: 1°. het binnen 2 minuten zonder hulp van anderen uitgepakt en aangetrokken kan worden; 2°. het niet blijft branden of doorgaat met smelten indien het niet langer dan 2 seconden volledig in vuur gehuld is geweest; 3°. het, met uitzondering van het gezicht, het hele lichaam bedekt. De handen moeten bedekt zijn, hetzij door handschoenen die een geheel vormen met het pak, hetzij door afzonderlijke handschoenen die permanent aan het pak zijn bevestigd; 4°. er voorzieningen zijn om de hoeveelheid vrije lucht in de pijpen van het pak te verminderen; en 5°. er geen overmatige hoeveelheid water in het pak binnendringt na een sprong vanaf een hoogte van ten minste 4,5 m in het water. 2 Een overlevingspak moet de drager in staat stellen om: 1°. een verticaal geplaatste ladder van 5 m lengte op te klimmen en af te dalen; 2°. normale taken tijdens «schip verlaten» uit te voeren; 3°. vanaf een hoogte van ten minste 4,5 m in het water te springen zonder dat het overlevingspak beschadigt of losraakt, of de drager letsel toebrengt; en 4°. een korte afstand door het water te zwemmen en in een groepsreddingmiddel te klimmen. 3 Een overlevingspak moet zijn voorzien van een licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 212, achtste en negende lid, en een signaalfluit als voorgeschreven in artikel 212, zesde lid. 4 Een overlevingspak moet vervaardigd zijn uit materiaal dat zelf isolerend is, en moet de drager een zodanige thermische isolatie bieden dat de lichaamstemperatuur van de drager niet meer dan 2°C daalt na een sprong vanaf een hoogte van 4,5 m in het water en een daarop aansluitend verblijf van 6 uur in rustig stromend water met een temperatuur tussen 0°C en 2°C. 5 Het overlevingspak moet de drager in staat stellen met de handen bedekt, een potlood op te pakken en te schrijven na een verblijf van 1 uur in water van 5°C. 6 Een overlevingspak moet voldoende inherent drijfvermogen en stabiliteit in kalm, zoet water hebben om: 1°. de mond van de drager, drijvend met het gezicht naar boven, ten minste 120 mm boven water te houden; en 2°. de drager in staat te stellen zich in niet meer dan 5 seconden te keren van de stand met het gezicht naar beneden tot die met het gezicht naar boven.