BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 210
Vissersvaartuigenbesluit
Algemene eisen voor reddingmiddelen en -voorzieningen ... 1 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald of tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, rekening houdend met de bijzondere reizen die het vaartuig voortdurend maakt, andere voorschriften passend zijn, moeten alle in deze paragraaf beschreven reddingmiddelen aan de volgende eisen voldoen: 1°. zij moeten zijn vervaardigd met goed vakmanschap en van deugdelijk materiaal; 2°. op de opstellingsplaats mogen zij niet worden aangetast bij luchttemperaturen tussen minus 30°C en plus 65°C; 3°. indien zij mogelijkerwijs tijdens gebruik in zeewater worden ondergedompeld, moeten zij kunnen blijven werken bij een zeewatertemperatuur tussen minus 1°C en plus 30°C; 4°. waar van toepassing, moeten zij bestand zijn tegen verrotting en corrosie en niet overmatig aangetast worden door zeewater, olie of schimmel; 5°. zij mogen niet worden aangetast door blootstelling aan zonlicht; 6°. zij moeten een goed zichtbare kleur hebben op alle delen waar dit ontdekking kan bevorderen; 7°. zij moeten zijn voorzien van lichtterugkaatsend materiaal op die plaatsen waar dit ontdekking kan bevorderen en volgens de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen nadere regels; en 8°. wanneer van toepassing, moeten zij bij zeegang doelmatig kunnen worden gebruikt. 2 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt het tijdvak vast gedurende hetwelk reddingmiddelen waarvan de kwaliteit in belangrijke mate vermindert naarmate zij ouder worden, voor gebruik aan boord mogen worden gehandhaafd. Deze reddingmiddelen moeten zijn voorzien van een duidelijk zichtbare vermelding van de datum van fabricage. Hiertoe kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere regels stellen.