BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 209
Vissersvaartuigenbesluit
Gereedheid voor gebruik, onderhoud en inspecties ... 1 Alvorens een reis te ondernemen en gedurende de gehele reis moeten alle reddingmiddelen in goede staat verkeren en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 2 Instructies voor het onderhoud van de reddingmiddelen aan boord, die voldoen aan het bepaalde in artikel 226, moeten aanwezig zijn en het onderhoud moet dienovereenkomstig worden uitgevoerd. 3 In plaats van de in het voorgaande lid voorgeschreven instructies kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een voor het vaartuig opgesteld onderhoudsprogramma toestaan, waarin de bepalingen van artikel 226 zijn opgenomen. 4 Lopers die bij het afvieren van de reddingmiddelen worden gebruikt, moeten met tussenpozen van niet meer dan 30 maanden gekeerd worden en moeten worden vernieuwd wanneer ze gebreken vertonen dan wel na niet meer dan 5 jaar. 5 Voor de groepsreddingmiddelen en hun onderdelen die onderhevig zijn aan uitzonderlijke slijtage of intering en regelmatig vervangen dienen te worden, moeten aan boord reserve-onderdelen en reparatiegereedschap aanwezig zijn. 6 De volgende beproevingen en inspecties moeten wekelijks worden uitgevoerd: 1°. een visuele inspectie van alle groepsreddingmiddelen, hulpverleningsboten en tewaterlatingsmiddelen, teneinde zeker te stellen dat deze gereed zijn voor onmiddellijk gebruik; 2°. het draaien van de motoren in alle reddingboten en hulpverleningsboten in voor-en achteruit stand in totaal gedurende ten minste 3 minuten, mits de omgevingstemperatuur hoger is dan de minimumtemperatuur vereist om de motor te kunnen starten; en 3°. het beproeven van de algemeen alarminstallatie, voorgeschreven in artikel 239, tweede lid. 7 Een inspectie van de reddingmiddelen met inbegrip van de reddingbootuitrusting moet maandelijks worden uitgevoerd, waarbij gebruik moet worden gemaakt van de in artikel 226, eerste lid, onder 1, voorgeschreven controlelijst, teneinde zeker te stellen dat de middelen en de uitrusting volledig zijn en in goede staat verkeren. Een verslag van de inspectie moet in het scheepsdagboek worden opgenomen. 8 Ieder automatisch opblaasbaar reddingvlot en de daarbij behorende medische uitrusting en iedere automatisch opblaasbare reddinggordel moeten worden gekeurd: 1°. met tussenpozen van ten hoogste 12 maanden. In bijzondere gevallen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie deze periode verlengen tot ten hoogste 17 maanden; en 2°. in Nederland in een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkend keuringsstation en in het buitenland in een door de overheid aldaar erkend keuringsstation dat vanwege de fabrikant bevoegd is deze keuringen te verrichten. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen omtrent de voorwaarden voor de erkenning van de keuringsstations in Nederland en omtrent de keuring. 8 Alle reparaties en onderhoud aan hulpverleningsboten in opgeblazen toestand moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant. Noodreparaties mogen aan boord van het vaartuig worden uitgevoerd. Permanente reparaties en periodiek onderhoud moeten worden uitgevoerd in een erkend keuringsstation als bedoeld onder 1.2. 9 Automatische hydrostatische ontkoppelingsmechanismen moeten periodiek worden gekeurd: 1°. met tussenpozen van ten hoogste 12 maanden. In bijzondere gevallen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie deze periode verlengen tot ten hoogste 17 maanden; en 2°. in een erkend keuringsstation als bedoeld in het achtste lid, onder 1.2.