BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 206
Vissersvaartuigenbesluit
Voorzieningen voor tewaterlating en terugzetten van groepsreddingmiddelen ... 1 Tewaterlatingsmiddelen die voldoen aan het bepaalde in artikel 224, moeten beschikbaar zijn voor alle groepsreddingmiddelen, behalve voor: 1°. reddingvlotten waarin wordt ingescheept vanaf een plaats aan dek op minder dan 4,5 m boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater en die: 1.1. een massa hebben van niet meer dan 185 kg; of 1.2. geplaatst zijn voor het te water laten rechtstreeks vanaf de opstellingsplaats onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast tot 10 graden en met een slagzij van het vaartuig van 20 graden naar iedere zijde; 2°. groepsreddingmiddelen die een massa hebben van niet meer dan 185 kg en die aan boord aanwezig zijn in aanvulling op de groepsreddingmiddelen ten behoeve van 200 percent van het aantal opvarenden. 2 Elke reddingboot moet zijn voorzien van een middel dat de reddingboot te water kan laten en weer terug kan zetten. 3 De middelen voor het te water laten en weer terugzetten moeten zo zijn uitgevoerd dat de bediener daarvan aan boord te allen tijde in staat is het groepsreddingmiddel bij het te water laten, en voor de reddingboten tevens bij het weer terugzetten, te zien. 4 Voor gelijksoortige groepsreddingmiddelen aan boord van één vaartuig mag slechts één type ontkoppelingsmechanisme worden gebruikt. 5 Het gereedmaken en bedienen van een groepsreddingmiddel op een tewaterlatingsplaats mag het gereedmaken en bedienen van andere groepsreddingmiddelen of hulpverleningsboten op andere tewaterlatingsplaatsen niet belemmeren. 6 Lopers, wanneer toegepast, moeten van voldoende lengte zijn om aan de hoge zijde met de groepsreddingmiddelen het water te kunnen bereiken indien het vaartuig ligt op de laagst gelegen lastlijn in zeewater onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast en een slagzij van 20 graden. 7 Gedurende het gereedmaken en te water laten, moeten het groepsreddingmiddel, het daarbij behorende tewaterlatingsmiddel en de omgeving van het wateroppervlak waarin het wordt afgevierd of te water wordt geworpen, doelmatig kunnen worden verlicht door middel van noodverlichting gevoed door de elektrische noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 112, eerste lid, of artikel 113, eerste lid. 8 Teneinde te voorkomen dat waterlozing op de groepsreddingmiddelen plaatsvindt tijdens «schip verlaten», moeten de werktuiglijk gedreven pompen die overboord kunnen spuien en die niet door het hoofdvoortstuwingswerktuig worden aangedreven, vanaf een doelmatige plaats buiten werking kunnen worden gesteld. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan hiervoor nadere regels geven. 9 Indien een vaartuig is uitgerust met stabilisatoren en er gevaar bestaat dat de groepsreddingmiddelen hierdoor beschadigd kunnen worden, moeten middelen beschikbaar zijn, gevoed door een noodkrachtbron, om die stabilisatoren binnenboord te brengen. Op de brug moet een aanwijzer, gevoed door een noodkrachtbron, aanwezig zijn die de stand van de stabilisatoren aangeeft.