BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 204
Vissersvaartuigenbesluit
Plaatsing van groepsreddingmiddelen ... 1 Ieder groepsreddingmiddel moet zijn geplaatst: 1°. zodanig dat noch het groepsreddingmiddel noch de plaatsingsvoorzieningen de behandeling van enig ander groepsreddingmiddel of van een hulpverleningsboot op een andere tewaterlatingsplaats belemmeren; 2°. zo laag mogelijk boven het wateroppervlak als veilig en uitvoerbaar is doch, met uitzondering van een reddingvlot bestemd voor tewaterlating door overboord werpen, op een zodanige plaats dat het groepsreddingmiddel aan de lage zijde op de inschepingsplaats komt op een hoogte van ten minste 2 m boven de hoogst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater, onder ongunstige omstandigheden van kop- of stuurlast en bij een slagzij van 20 graden of bij een slagzij waarbij de rand van het bovenste doorlopende dek onder water raakt, welke van beide het kleinste is; 3°. zodanig dat het voortdurend en voor onmiddellijk gebruik gereed is, zodat twee bemanningsleden binnen 5 minuten de voorbereidingen kunnen treffen voor het te water laten en de inscheping; 4°. voorzien van de volledige uitrusting, voorgeschreven in paragraaf 3; en 5°. voor zover uitvoerbaar, op een veilige en beschutte plaats en beschermd tegen schade door brand en explosie. 2 Reddingboten die langs de scheepszijden afgevierd worden, moeten zo ver mogelijk als praktisch uitvoerbaar voor de schroef zijn geplaatst. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 80 m of meer, doch minder dan 120 m bedraagt, moet iedere reddingboot zo zijn geplaatst dat de afstand van de achterkant van de reddingboot tot de schroef ten minste éénmaal de lengte van de reddingboot bedraagt. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 120 m of meer bedraagt, moet iedere reddingboot zo zijn geplaatst dat de afstand van de achterkant van de reddingboot tot de schroef ten minste 1½ maal de lengte van de reddingboot bedraagt. Waar toepasselijk moet het vaartuig zo zijn ingericht dat de reddingboten op hun opstellingsplaatsen beschermd zijn tegen schade door overkomende zeeën. 3 Reddingboten moeten zijn verbonden met bijbehorende tewaterlatingsmiddelen. 4 Reddingvlotten van het strijkbare type moeten binnen bereik van de hijshaken zijn geplaatst, tenzij er middelen voor overbrenging van de reddingvlotten zijn aangebracht, die niet buiten werking kunnen geraken binnen de gestelde grenzen van kop- of stuurlast en slagzij, omschreven in het eerste lid, onder 2, of door de bewegingen van het vaartuig of door het uitvallen van de krachtbron. 5 Reddingvlotten bestemd voor tewaterlating door overboord werpen, moeten zo zijn geplaatst dat zij gemakkelijk aan beide zijden van het vaartuig te water kunnen worden gelaten, tenzij de capaciteit van de reddingvlotten aan elke zijde van het vaartuig afzonderlijk, gelijk is aan de gezamenlijke capaciteit van de vlotten, voorgeschreven in artikel 199, eerste en tweede lid. 6 Alle reddingvlotten moeten geplaatst zijn met de vanglijn permanent aan het vaartuig bevestigd en met een voorziening voor vrij opdrijven die voldoet aan het bepaalde in artikel 218, zestiende tot en met achttiende lid, en wel zodanig dat wanneer het vaartuig zinkt, het reddingvlot vrij opdrijft en, indien het een opblaasbaar reddingvlot betreft, automatisch opblaast. Bovendien moeten alle reddingvlotten zodanig zijn geplaatst dat het mogelijk is ze ook met de hand van hun sjorringen te ontdoen.