BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 199
Vissersvaartuigenbesluit
Groepsreddingmiddelen en hulpverleningsboten ... 1 Aan boord van een vaartuig moeten aanwezig zijn: 1°. aan elke zijde een of meer reddingboten die voldoen aan het bepaalde in artikel 222, en die per zijde van het vaartuig gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden; en 2°. een of meer reddingvlotten die voldoen aan het bepaalde in artikel 219 of 220 en die aan beide zijden van het vaartuig te water gelaten kunnen worden en gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden. Indien de reddingvlotten niet gemakkelijk van de ene zijde van het vaartuig naar de andere kunnen worden overgebracht om te water gelaten te worden, moet de totale beschikbare ruimte in de reddingvlotten aan elke zijde voldoende zijn om het totale aantal opvarenden op te nemen. 2 Vaartuigen waarvan de lengte minder dan 85 m bedraagt mogen, in plaats van te voldoen aan het bepaalde in het eerste lid volstaan met het volgende: 1°. zij moeten aan elke zijde van het vaartuig een of meer reddingvlotten hebben die voldoen aan het bepaalde in artikel 219 of 220, en die per zijde gezamenlijk voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden; 2°. tenzij de reddingvlotten, voorgeschreven onder 1, gemakkelijk van de ene zijde van het vaartuig naar de andere kunnen worden overgebracht om te water gelaten te worden, moeten extra reddingvlotten worden geplaatst zodat de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte biedt aan ten minste 150 percent van het totale aantal opvarenden; 3°. indien de hulpverleningsboot voorgeschreven in het vierde lid, tevens een reddingboot is die voldoet aan het bepaalde in artikel 222, mag deze gerekend worden tot de gezamenlijke capaciteit, voorgeschreven onder 1, mits de totale capaciteit die aan elke zijde beschikbaar is, voldoende ruimte biedt aan ten minste 150 percent van het totale aantal opvarenden; en 4°. ingeval een van de groepsreddingmiddelen verloren gaat of in het ongerede raakt, moeten er voldoende groepsreddingmiddelen voor gebruik aan elke zijde beschikbaar zijn voor het totale aantal opvarenden. 3 Met uitzondering van de groepsreddingmiddelen, bedoeld in artikel 206, eerste lid, onder 1, moeten alle groepsreddingmiddelen die zijn voorgeschreven om het totale aantal opvarenden te ontschepen, met hun volle bezetting en volledige uitrusting te water gelaten kunnen worden binnen een tijdbestek van 10 minuten, gerekend vanaf het tijdstip waarop het sein «schip verlaten» wordt gegeven. 4 Aan boord van een vaartuig moet ten minste een hulpverleningsboot aanwezig zijn, die voldoet aan het bepaalde in artikel 223. Een reddingboot kan worden aanvaard als hulpverleningsboot, mits tevens wordt voldaan aan de voorschriften voor een hulpverleningsboot.