BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 198
Vissersvaartuigenbesluit
Persoonlijke reddingmiddelen ... 1 Vaartuigen moeten ten minste het aantal reddingboeien aan boord hebben, voorgeschreven in de onderstaande tabel: lengte van het vaartuig in meters minimum aantal reddingboeien minder dan 45 4 45 of meer doch minder dan 100 8 100 of meer 10 2 Reddingboeien dienen te voldoen aan het bepaalde in artikel 211 en moeten: 1°. zo zijn verdeeld dat zij aan beide zijden van het vaartuig en, voor zover praktisch uitvoerbaar, op alle open dekken die tot aan de zijden doorlopen voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; ten minste één reddingboei dient in de nabijheid van de achtersteven te zijn geplaatst; en 2°. zo zijn geplaatst dat zij snel overboord kunnen worden geworpen en niet op een of andere manier permanent zijn vastgezet. 3 Aan iedere zijde van het vaartuig moet ten minste één reddingboei zijn voorzien van een drijvende reddinglijn die voldoet aan het bepaalde in artikel 211, vierde lid, met een lengte van ten minste 30 m of tweemaal de hoogte waarop de reddingboei geplaatst is boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater, welke van beide het grootste is. 4 Ten minste de helft van het totale aantal reddingboeien moet zijn voorzien van een zelfontbrandend licht dat voldoet aan het bepaalde in artikel 211, tweede lid. Ten minste twee van deze reddingboeien moeten bovendien zijn voorzien van een zelfwerkend rooksignaal dat voldoet aan het bepaalde in artikel 211, derde lid, en deze reddingboeien moeten vanaf de brug snel ontkoppeld kunnen worden; reddingboeien met licht en die met licht en rooksignaal moeten gelijkelijk verdeeld zijn over beide zijden van het schip en mogen niet zijn voorzien van reddinglijnen als bedoeld in het derde lid. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, is het bepaalde in dit lid met betrekking tot zelfwerkende rooksignalen niet van toepassing. 5 Op iedere reddingboei moet de naam en thuishaven, of het vismerk van het vaartuig waarop de boei is geplaatst, in blokletters zijn aangegeven. 6 Voor elke opvarende dient een reddinggordel die voldoet aan het bepaalde in artikel 212, aan boord te zijn, bovendien dient een voldoend aantal extra reddinggordels aan boord te zijn voor personen die op wacht zijn. 7 De reddinggordels moeten zo zijn opgeborgen dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en hun bergplaats moet duidelijk zijn aangegeven. Wanneer, vanwege de bijzondere indeling van het vaartuig, de reddinggordels, voorgeschreven in het voorgaande lid, onbereikbaar kunnen worden, moeten andere maatregelen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden genomen, welke kunnen inhouden dat een groter aantal reddinggordels aan boord moet zijn. 8 Aan boord van een vaartuig moeten voor iedere reddingboot aan boord ten minste 3 overlevingspakken aanwezig zijn die voldoen aan het bepaalde in artikel 213, of, indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dat noodzakelijk en uitvoerbaar vindt, een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 213 voor iedere opvarende. Het vaartuig moet echter naast de hulpmiddelen tegen warmteverlies, voorgeschreven in artikel 218, dertiende lid, onder 24, artikel 221, tweeënveertigste lid, onder 31 en artikel 223, elfde lid, onder 13, hulpmiddelen tegen warmteverlies die voldoen aan het bepaalde in artikel 214, aan boord hebben voor de opvarenden die niet zijn voorzien van overlevingspakken. Deze overlevingspakken en hulpmiddelen tegen warmteverlies behoeven niet aan boord te zijn indien het vaartuig geheel overdekte reddingboten heeft, die gezamenlijk per zijde voldoende ruimte bieden aan het totale aantal opvarenden. 9 Aan boord van een vaartuig dat voldoet aan het bepaalde in artikel 199, tweede lid, moeten overlevingspakken die voldoen aan het bepaalde in artikel 213 aanwezig zijn voor alle opvarenden, tenzij het vaartuig: 1°. reddingvlotten van het strijkbare type heeft, die door middel van tewaterlatingsmiddelen aan beide zijden van het vaartuig te water kunnen worden gelaten; of 2°. reddingvlotten heeft, die door middel van goedgekeurde gelijkwaardige middelen aan beide zijden van het vaartuig te water kunnen worden gelaten en waarvoor het niet noodzakelijk is via het water in het reddingvlot te komen. 10 Aan boord van een vaartuig moet voor elke persoon die is aangewezen om de hulp verleningsboot te bemannen, een overlevingspak van de juiste maat aanwezig zijn dat voldoet aan het bepaalde in artikel 213. De overlevingspakken, bedoeld in het achtste of het negende lid mogen voor dit doel worden gebruikt. 11 Een overlevingspak dat voldoet aan het bepaalde in artikel 213, mag worden meegeteld als reddinggordel bij de toepassing van het bepaalde in het zesde lid.