BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 190
Vissersvaartuigenbesluit
Verschansingen, relingen en beveiligingsmiddelen ... 1 Alle aan weer en wind blootgestelde dekken, voor zover deze bestemd zijn om daar te werken, moeten zijn voorzien van een deugdelijke verschansing of reling. De hoogte van de verschansing of van de reling moet ten minste 1 m boven het dek, inclusief de dekbedekking, zijn. Indien deze hoogte een belemmering vormt voor de normale werkzaamheden aan boord, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een geringere hoogte toestaan, mits in voldoende bescherming is voorzien. 2 De kleinste afstand, vertikaal gemeten, vanaf de hoogst gelegen lastlijn tot aan het laagste punt van de bovenzijde van de verschansing of tot aan de rand van het werkdek indien een reling is aangebracht, moet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voldoende bescherming van de bemanning garanderen tegen overkomend water, waarbij rekening moet worden gehouden met de toestand van de zee en de weersomstandigheden waarbij het vaartuig dienst moet kunnen doen, alsmede met het vaargebied, het type vaartuig en de vismethode waarvoor het bestemd is. 3 De hoogte van de opening onder de onderste roede van het relingwerk mag niet groter zijn dan 230 mm. De onderlinge afstand van de overige roeden mag niet meer dan 380 mm bedragen en de onderlinge afstand tussen scepters mag niet meer dan 1,50 m zijn. Op vaartuigen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, moeten de scepters van het relingwerk op het vlakke gedeelte van het dek geplaatst zijn. Relingen mogen geen scherpe punten, randen en hoeken hebben en moeten van voldoende sterkte zijn. 4 Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moeten voorzieningen zijn aangebracht zoals relingen, handleiders, loopbruggen of onderdeks gelegen gangen ter bescherming van de bemanning bij het gaan naar of het komen van hun verblijven, de ruimten voor machines en andere werkruimten. Zonodig moeten buiten alle dekhuizen en schachten handleiders of andere doelmatige voorzieningen zijn aangebracht teneinde de opvarenden een veilige doorgang en veilig werk te garanderen. 5 De bovenzijde van een aflopend deel van het dek aan boord van hektreilers moet voorzien zijn van een doelmatige beveiliging in de vorm van deuren, hekken of netwerk die op dezelfde hoogte moeten zijn aangebracht als de aangrenzende verschansing of reling. Voor het geval tijdelijk niet is voorzien in een dergelijke beveiliging moeten een ketting of andere beveiligingsmiddelen over het hellende deel zijn aangebracht. 6 Aan boord van een vaartuig moeten middelen aanwezig zijn ter persoonlijke bescherming van de schepelingen tegen letsel dat uit door hen te verrichten werkzaamheden zou kunnen voortvloeien. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels stellen ten aanzien van het aantal, de soort en het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen.