BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 179
Vissersvaartuigenbesluit
Brandkranen, brandslangen en straalpijpen ... 1 Elke aansluiting voor een brandslang moet zijn voorzien van een kraan of afsluiter, opdat een brandslang gemakkelijk en snel kan worden aan- of afgekoppeld terwijl de brandbluspompen te werk staan. 1 Brandkranen moeten zodanig zijn geplaatst dat elk deel van het vaartuig dat onder normale bedrijfsomstandigheden toegankelijk is, met ten minste een straal water kan worden bereikt. 2 Voor de in het eerste lid genoemde waterstraal mag slechts een brandslanglengte worden gebruikt. 3 In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid moet buiten ruimten voor machines van categorie A, nabij de toegang ten minste een brandkraan met slang en straalpijp zijn aangebracht voor gebruik in genoemde ruimte. 4 Bij elke voorgeschreven brandkraan dient een brandslang aanwezig te zijn. Bovendien moet een reserve brandslang aanwezig zijn. 5 Brandslangen moeten zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal en van voldoende lengte zijn om met een waterstraal alle ruimten te kunnen bereiken waarvoor zij zijn bestemd. Deze lengte mag niet meer dan 20 m bedragen. Elke brandslang moet zijn voorzien van een straalpijp en de nodige koppelingen. Brandslangen moeten te zamen met de benodigde onderdelen en gereedschappen voor gebruik gereed worden gehouden op opvallende plaatsen nabij de brandkranen of slangaansluitingen. 6 Straalpijpen moeten van een goedgekeurd type zijn. De standaard spuitopening van een straalpijp moet zijn aangepast aan de totale opbrengst van de geïnstalleerde brandbluspompen. De spuitopening dient evenwel een inwendige diameter te hebben van ten minste 12 mm, of een doorlaat die hiermee nagenoeg overeenkomt. Elke straalpijp moet zijn voorzien van een inrichting die het mogelijk maakt tijdens het blussen met een eenvoudige handbeweging over te gaan van spuiten op sproeien en omgekeerd, zonder dat daarvoor de watertoevoer naar de straalpijp behoeft te worden onderbroken. Tevens moet de straalpijp zijn voorzien van een inrichting om de watertoevoer te onderbreken. 7 Op vaartuigen, waarvan de lengte minder dan 24 m bedraagt, mag voor brandblusdoeleinden de dekwasslang worden gebruikt mits deze van voldoende lengte is om alle compartimenten te kunnen bereiken. In dit geval moet een straalpijp met spuitstuk, verloopstuk en overig toebehoren voor het bevestigen hiervan aan de dekwasslang, op de brug zijn opgehangen. 8 Brandkranen moeten zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn. Brandblusleidingen en brandkranen moeten zodanig zijn geplaatst dat de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aan boord van vaartuigen die lading aan dek kunnen vervoeren, moet de plaats van de brandkranen altijd gemakkelijk bereikbaar zijn en de leidingen moeten, zoveel als praktisch mogelijk, zodanig zijn aangelegd, dat gevaar van beschadiging door een dergelijke lading wordt vermeden. Tenzij bij elke brandkraan een bijbehorende brandslang met straalpijp aanwezig is, moet elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang kunnen worden aangesloten. 9 Brandkranen, slangenhaspels, brandslangkasten en dergelijke moeten in een rode kleur zijn geschilderd.