BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 177
Vissersvaartuigenbesluit
Brandbluspompen ... 1 Aan boord van een vaartuig dient ten minste een brandbluspomp aanwezig te zijn. Een dergelijke brandbluspomp moet zijn: 1°. een werktuiglijk gedreven pomp welke niet door de hoofdmotor wordt aangedreven; of 2°. een werktuiglijk gedreven pomp welke door de hoofdmotor wordt aangedreven, onder voorwaarde dat de voortstuwingsinstallatie is voorzien van een uitschakelbare keerkoppeling, of van een verstelbare schroef. 2 Sanitair, ballast-, lens-, algemene dienstpompen of andere pompen mogen als brandbluspompen worden gebruikt, indien zij voldoen aan het gestelde in deze paragraaf en, bij gebruik van deze pompen als brandbluspomp, de lenscapaciteit van het vaartuig hierdoor niet wordt beïnvloed. Brandbluspompen moeten zo zijn aangesloten, dat het niet mogelijk is hiermede olie of andere brandbare vloeistoffen te verpompen. 3 Bij centrifugaalpompen of andere op de brandblusleiding aangesloten pompen waarbij het mogelijk is dat het water door de pomp kan terugstromen, moet in de persleiding een terugslagklep zijn aangebracht. 4 De totale capaciteit (Q) van de werktuiglijk gedreven brandbluspomp(en) moet ten minste gelijk zijn aan: Q = (0,15 L(B+D) + 2,25) 2 m 3 /uur. 5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, mag, indien twee werktuiglijk gedreven brandbluspompen welke niet door een en dezelfde krachtbron worden aangedreven, zijn aangebracht, de capaciteit van elk der geïnstalleerde pompen niet minder zijn dan 40 percent van de volgens dat lid vereiste totale capaciteit. 6 Indien de brandbluspompen de volgens de in het vierde lid vereiste totale opbrengst leveren aan de hoofdbrandblusleiding, brandslangen en straalpijpen dient de druk bij elke brandkraan ten minste gelijk te zijn aan 0,25 N/mm 2 .