BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 170
Vissersvaartuigenbesluit
Constructieve brandbeveiliging ... 1 De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen moeten van onbrandbare materialen zijn vervaardigd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een brandbare constructie toestaan, mits is voldaan aan de van toepassing zijnde bepalingen van dit artikel en aan die van de artikelen 176, eerste lid, en 182, vijfde lid. 2 In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moet ten aanzien van begrenzingsschotten en dekken van ruimten voor machines en van controlestations aan het volgende zijn voldaan: 1°. dekken en schotten, die ruimten voor machines van categorie A scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten ten minste van klasse «A-30» zijn; 2°. dekken en schotten, die ruimten voor machines, andere dan die van categorie A, scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten ten minste van klasse «A-0» zijn; en 3°. dekken en schotten, die controlestations scheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten, moeten ten minste van klasse «A-30» zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het aanbrengen van wanden van klasse «B-15» toestaan voor de scheiding tussen ruimten zoals de hut van de kapitein en de brug. 2 In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moet ten aanzien van begrenzingsschotten en dekken van ruimten voor machines en van controlestations aan het volgende zijn voldaan: 1°. dekken en schotten, die ruimten voor machines scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten ten minste van klasse «F» of klasse «B-15» zijn; 2°. dekken en schotten, die ruimten voor machines omgeven, moeten zoveel als praktisch mogelijk de doortocht van rook verhinderen; en 3°. dekken en schotten, die controlestations scheiden van ruimten voor accommodatie en dienstruimten, moeten ten minste van klasse «F» zijn. 3 Tenzij op grond van het bepaalde in het tweede lid, onder 2.1, anders is voorgeschreven, moeten in vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, schotten van gangen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «B-15» zijn. 3 In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten schotten van gangen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations ten minste van klasse «F» zijn. 3 Schotten van gangen als bedoeld onder 3.1 of 3.2 moeten zijn opgetrokken van dek tot dek, tenzij aan beide zijden van het schot doorlopende plafonds met dezelfde brandwerendheid als van de gangschotten zijn aangebracht, in welk geval het schot mag eindigen tegen het doorlopende plafond. 4 Binnentrappen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten van staal of ander, gelijkwaardig materiaal zijn. In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moeten dergelijk binnentrappen zijn ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «B-15». In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten dergelijke binnentrappen zijn ondergebracht in ruimten die zijn omgeven door schotten van klasse «F». Indien evenwel een dergelijke binnentrap slechts twee dekken verbindt, behoeft deze slechts op een dek door schotten te zijn omsloten. 5 Deuren en andere afsluitmiddelen in schotten en dekken als bedoeld in het tweede en het derde lid, deuren welke zijn aangebracht in schotten die trappen omsluiten als bedoeld in het vierde lid en deuren welke zijn aangebracht in schachtwanden van ruimten voor machines en ketelruimen, moeten ten minste dezelfde brandwerendheid bezitten als de schotten en dekken waarin zij zijn aangebracht. Deuren die toegang geven tot ruimten voor machines van categorie A, moeten zelfsluitend zijn. 6 Liftschachten welke door ruimten voor accommodatie en dienstruimten gaan, moeten van staal of van een ander, gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd en moeten zijn voorzien van afsluitmiddelen waarmee de trek en de rookverspreiding onder controle kunnen worden gehouden. 7 In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van onbrandbare materialen, moet ten aanzien van begrenzingsschotten en dekken van ruimten waarin de noodkrachtbron is opgesteld en van kombuizen, verfhutten, lampenhutten en andere bergplaatsen, aan het volgende zijn voldaan: 1°. van de begrenzingsschotten en dekken van ruimten waarin een noodkrachtbron is opgesteld, moeten de bovenliggende dekken ten minste van klasse «A-0» zijn en moeten de onderliggende dekken en de begrenzingsschotten ten minste van klasse «A-30» zijn. Voor schotten en dekken welke de begrenzing vormen met de buitenlucht, gelden geen eisen ten aanzien van de brandwerendheid; en 2°. dekken en schotten, die kombuizen, verfhutten, lampenhutten of andere bergplaatsen waarin zich belangrijke hoeveelheden licht ontvlambaar materiaal bevinden, scheiden van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten ten minste van klasse «A-15» zijn. Indien in een kombuis alleen een elektrisch fornuis, elektrische warmwaterbereiders en andere elektrisch verwarmde apparaten zijn opgesteld, mogen de dekken en schotten tussen een dergelijke kombuis en ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations van klasse «B-15» zijn. 7 In vaartuigen waarvan de romp is vervaardigd van brandbare materialen, moeten de begrenzingswanden en schotten van de ruimten als genoemd onder 1.1 en 1.2, ten minste van klasse «F» of klasse «B-15» zijn. 7 Licht ontvlambare produkten moeten in hiervoor geschikte gesloten vaten worden opgeslagen. 8 Wanneer schotten en dekken, die ingevolge het bepaalde in het tweede, derde, vijfde of het zevende lid van klasse «A», klasse «B» of klasse «F» moeten zijn, worden doorboord voor het doorlaten van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kokers en dergelijke, moeten zodanige maatregelen zijn getroffen dat de brandwerendheid van de schotten en dekken niet vermindert. 9 Luchtruimten ingesloten achter wanden en beschietingen tussen plafonds en dekken in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations, moeten zijn onderverdeeld door afstoppingen welke de trek tegengaan en die niet verder dan 7 m uiteenliggen. 10 Voor ruimten van machines geldt ten aanzien van schijnlichten, ramen, patrijspoorten en lichtranden het volgende: 1°. wanneer schijnlichten kunnen worden geopend, moeten zij van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden gesloten; 2°. schijnlichten voor ruimten voor machines van categorie A mogen niet zijn voorzien van ramen, patrijspoorten of lichtranden; 3°. indien in schijnlichten voor ruimten voor machines, andere dan ruimten voor machines van categorie A, ramen, patrijspoorten of lichtranden zijn aangebracht, moeten deze van draadglas zijn. Zij moeten tevens aan de buitenzijde zijn voorzien van blinden, die vast aan het schijnlicht zijn verbonden en die zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal; en 4°. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingswanden van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van glas in wanden van controlekamers die geheel in de ruimten voor machines zijn gelegen, niet uit. 11 Isolatiematerialen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten met uitzondering van proviand-, koel- en vrieskamers, in controlestations en in ruimten voor machines, moeten onbrandbaar zijn. Het oppervlak van isolatiemateriaal dat is aangebracht aan de binnenzijde van begrenzingsschotten en -dekken van ruimten voor machines van categorie A, moet ondoordringbaar zijn voor olie of oliedampen. 12 Brandbare isolatie in visruimen moet door een goed afsluitende bekleding zijn beschermd.