BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 159
Vissersvaartuigenbesluit
Brandblusvoorzieningen in ruimten voor machines ... 1 Ruimten voor machines van categorie A moeten zijn voorzien van: 1°. een van de volgende vast aangebrachte brandblusinstallaties: 1.1. een sproei-installatie voor water onder druk; 1.2. een installatie met gas als blusstof; 1.3. een installatie met gehalogeniseerde koolwaterstoffen met een lage giftigheidsgraad als blusstof; of 1.4. een installatie voor schuim met een hoog verschuimingsgetal; Indien ruimten voor machines aan elkaar grenzen en niet volkomen van elkaar zijn gescheiden of wanneer brandstofolie van een ruimte naar een andere ruimte kan vloeien, moeten de betrokken ruimten als één ruimte worden beschouwd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan nadere regels geven ten aanzien van bedoelde brandblusinstallaties; 2°. ten minste een speciaal draagbaar schuimbrandblustoestel dat voldoet aan het bepaalde in artikel 157, achtste lid. 2 Een ruimte voor machines van Categorie A waarin oliegestookte ketels of oliestookinrichtingen zijn opgesteld, moet in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid tevens zijn voorzien van: 1°. ten minste twee draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen op elke stookplaats van elk ketelruim en in elke ruimte waarin een deel van de oliestookinrichting is ondergebracht; 2°. ten minste een schuimbrandblustoestel met een inhoud van ten minste 136 l of een daaraan gelijkwaardig gesteld brandblustoestel, voorzien van op haspels aangebrachte slangen die lang genoeg zijn om elk deel van de ruimte te kunnen bereiken; 3°. één of meer bakken, tezamen inhoudende ten minste 0,3 m zand, met soda doordrenkt zaagsel of andere doelmatige stoffen op elke stookplaats, benevens schoppen om deze stoffen te verspreiden; Een draagbaar schuimbrandblustoestel of daaraan gelijkwaardig gesteld brandblustoestel kan hiervoor in de plaats worden gesteld; en 4°. een stoombrandblusinrichting op de onder overdruk staande luchtkanalen van ketels met geforceerde trek, indien zich in deze luchtkanalen lekolie kan verzamelen. 3 Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, rekening houdend met de afmetingen en de aard van de ruimte die moet worden beschermd, vermindering van het in het tweede lid, onder 1 en 2, vereiste, toestaan. 4 Een ruimte voor machines van categorie A waarin verbrandingsmotoren of gasturbines zijn opgesteld, moet in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, tevens zijn voorzien van: 1°. een voldoende aantal schuimbrandblustoestellen met een inhoud van ten minste 45 l of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen om blusstof te kunnen richten op ieder deel van de brandstofsystemen, smeeroliedruksystemen, tandwielkasten en andere brandgevaarlijke plaatsen; en 2°. een voldoende aantal draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen, die zo moeten zijn geplaatst dat geen enkel punt in de ruimte op een loopafstand van meer dan 10 m van een brandblustoestel is gelegen, met dien verstande dat in elke ruimte ten minste twee van deze brandblustoestellen aanwezig moeten zijn. 5 Voor kleinere ruimten kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie afwijking van het in het vierde lid, onder 1 en 2, gestelde, toestaan. 6 Ruimten voor machines waarin stoomturbines of gesloten stoommachines zijn opgesteld, gebezigd hetzij als hoofdvoortstuwingswerktuigen, hetzij voor andere doeleinden waarbij deze werktuigen tezamen een totaal vermogen hebben van 375 kW of meer, moeten zijn voorzien van: 1°. een voldoende aantal schuimbrandblustoestellen met een inhoud van ten minste 45 l of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen, om blusstof te kunnen richten op ieder deel van het smeeroliedruksysteem, van de omkastingen van de onder druk gesmeerde delen van de turbines, machines of daarbij behorende tandwielkasten en andere brandgevaarlijke plaatsen. Deze brandblustoestellen zijn echter niet vereist, indien in dergelijke ruimten een vast aangebrachte brandblusinstallatie aanwezig is als bedoeld in het eerste lid, onder 1; en 2°. een voldoende aantal draagbare schuimbrandblustoestellen of daaraan gelijkwaardig gestelde brandblustoestellen, die zo moeten zijn geplaatst dat geen enkel punt in de ruimte op een loopafstand van meer dan 10 m van een brandblustoestel is gelegen, met dien verstande dat in elke ruimte ten minste twee van deze brandblustoestellen aanwezig moeten zijn. Het bepaalde in dit onderdeel is niet van toepassing wanneer ingevolge het bepaalde in het vierde lid, onder 2, reeds schuimbrandblustoestellen zijn vereist. 7 Indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie brandgevaar aanwezig is in ruimten voor machines ten aanzien waarvan geen bepaalde voorschriften omtrent brandblusmiddelen zijn gegeven in voorgaande leden, moeten in of dicht bij deze ruimten een zodanig aantal brandblustoestellen of andere brandblusmiddelen zijn opgesteld als door hem voldoende wordt geacht. 8 Bij toepassing van tweetaktmotoren, moet elk van deze motoren met een vermogen van 750 kW of meer zijn voorzien van een inrichting om gas of stoom als blusstof toe te laten in spoelluchtleidingen, tenzij ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond dat deze voorziening niet noodzakelijk is.