BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 156
Vissersvaartuigenbesluit
Brandkranen, brandslangen en straalpijpen ... 1 Bij elke voorgeschreven brandkraan dient een brandslang aanwezig te zijn. Bovendien moet een reserve brandslang aanwezig zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een groter aantal brandslangen voorschrijven opdat, rekening houdende met de grootte van het vaartuig, steeds voldoende slangen beschikbaar en bereikbaar zijn. 1 Brandslangen moeten zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal en van voldoende lengte zijn om met een waterstraal alle ruimten te kunnen bereiken waarvoor zij zijn bestemd. Deze lengte mag niet meer dan 20 m bedragen. Elke brandslang moet zijn voorzien van een straalpijp en de nodige koppelingen. Brandslangen moeten te zamen met de benodigde onderdelen en gereedschappen voor gebruik gereed worden gehouden op opvallende plaatsen nabij de brandkranen of slangaansluitingen. 2 Het aantal en de plaats van de brandkranen moeten zodanig zijn dat met ten minste twee stralen water, niet afkomstig uit dezelfde brandkraan, waarbij voor een van deze stralen slechts een brandslanglengte mag worden gebruikt, elk deel van het vaartuig dat gedurende de vaart onder normale bedrijfsomstandigheden toegankelijk is, kan worden bereikt. 2 Een brandkraan moet zijn aangebracht bij de toegang van de ruimte die moet worden beveiligd. 2 In ruimten voor machines van categorie A moeten ten minste twee brandkranen zijn aangebracht, waarvan een aan stuurboord en een aan bakboord. 3 Brandkranen moeten zijn vervaardigd van materialen die in voldoende mate hittebestendig zijn. Brandblusleidingen en brandkranen moeten zodanig zijn geplaatst dat de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aan boord van vaartuigen die lading aan dek kunnen vervoeren, moet de plaats van de brandkranen altijd gemakkelijk bereikbaar zijn en de leidingen moeten, zoveel als praktisch mogelijk, zodanig zijn aangelegd, dat gevaar voor beschadiging door een dergelijke lading wordt vermeden. Tenzij bij elke brandkraan een bijbehorende brandslang met straalpijp aanwezig is moet elke brandslang op elke brandkraan en elke straalpijp op elke brandslang kunnen worden aangesloten. 4 Elke aansluiting voor een brandslang moet zijn voorzien van een kraan of afsluiter, opdat een brandslang gemakkelijk en snel kan worden aan- of afgekoppeld terwijl de brandbluspompen te werk staan. 5 Straalpijpen moeten van een goedgekeurd type zijn en moeten een standaard spuitopening hebben met een diameter van 12, 16 of 19 mm, dan wel een doorlaat die hier nagenoeg mee overeenkomt. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een grotere spuitopening toestaan. 5 In ruimten voor accommodatie en dienstruimten behoeft de spuitopening van de straalpijpen niet groter te zijn dan 12 mm. 5 In ruimten voor machines en op open dekken moet de diameter van de spuitopening van de straalpijpen zodanig zijn, dat met twee stralen water bij de druk genoemd in artikel 155, tweede lid, onder 2, met de kleinste pomp een zo groot mogelijke hoeveelheid water kan worden geleverd; er behoeft echter geen straalpijp te worden gebruikt met een spuitopening waarvan de diameter meer dan 19 mm bedraagt. 5 Elke straalpijp moet zijn voorzien van een inrichting die het mogelijk maakt tijdens het blussen met een eenvoudige handbeweging over te gaan van spuiten op sproeien en omgekeerd, zonder dat daarvoor de watertoevoer naar de straalpijp behoeft te worden onderbroken. Tevens moet de straalpijp zijn voorzien van een inrichting om de watertoevoer te onderbreken. 6 Brandkranen, slangenhaspels, brandslangkasten en dergelijke moeten in een rode kleur zijn geschilderd.