BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 154
Vissersvaartuigenbesluit
Brandbluspompen ... 1 Aan boord van een vaartuig moeten ten minste twee brandbluspompen aanwezig zijn. 2 Wanneer een brand in een bepaalde afdeling alle brandbluspompen buiten werking zou kunnen stellen, moet een vervangend middel aanwezig zijn voor het leveren van water voor het blussen van brand. Op vaartuigen waarvan de lengte 75 m of meer bedraagt, moet dit vervangend middel bestaan uit een vast opgestelde, onafhankelijk aangedreven noodbrandbluspomp. Deze noodbrandbluspomp moet in staat zijn tot het leveren van twee stralen water, een en ander ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 3 De brandbluspompen, de noodbrandbluspomp uitgezonderd, moeten in staat zijn voor brandblusdoeleinden een hoeveelheid water te leveren met een minimumdruk van 0,25 N/mm 2 , met een totale capaciteit (Q) van ten minste: Q = (0,15L(B+D) + 2,25) 2 m 3 /uur. De vereiste totale capaciteit der brandbluspompen behoeft echter niet meer dan 180 m 3 /uur te bedragen. 3 Elke voorgeschreven brandbluspomp, behalve de noodbrandbluspomp, moet een capaciteit hebben van niet minder dan 40 percent van de onder 3.1 vereiste totale capaciteit van de brandbluspompen en moet in elk geval in staat zijn ten minste de in artikel 156, tweede lid, onder 1, vereiste stralen water te leveren. Deze brandbluspompen moeten in staat zijn de hoofdbrandblusleiding onder de in artikel 155, tweede lid, voorgeschreven voorwaarden van water te voorzien. Wanneer meer dan twee pompen zijn opgesteld, moet de capaciteit van die extra pompen ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. 4 Brandbluspompen moeten werktuiglijk gedreven pompen zijn die onafhankelijk van het voortstuwingswerktuig kunnen worden gebruikt. Sanitaire, ballast-, lens- of algemene dienstpompen mogen worden aanvaard als brandbluspompen, mits zij onder normale omstandigheden niet worden gebruikt voor het pompen van olie en, indien zij af en toe voor dit doel moeten worden gebezigd, doelmatige verwisselinrichtingen zijn aangebracht die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn. 4 Brandbluspompen moeten van ontlastkleppen zijn voorzien indien zij in staat zijn een druk te leveren die de druk overtreft waarvoor de brandblusleidingen, brandkranen en brandslangen zijn ontworpen. Deze ontlastkleppen moeten op zodanige plaats zijn aangebracht en zodanig zijn afgesteld, dat een te hoge druk in enig deel van de hoofdbrandblusleiding wordt voorkomen. 4 Werktuiglijk gedreven noodbrandbluspompen moeten zelfaanzuigende pompen zijn die zijn uitgerust met een eigen dieselmotor en brandstoftoevoer, welke zijn opgesteld op een toegankelijke plaats buiten de ruimte waarin de overige brandbluspompen zijn ondergebracht. De aandrijving van de noodbrandbluspomp mag elektrisch geschieden, mits voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 108. De werking van de noodbrandbluspomp moet voor ten minste drie uur zijn verzekerd. 4 Noodbrandbluspompen, zee-inlaatafsluiters en andere noodzakelijke afsluiters moeten kunnen worden bediend vanaf een plaats die is gelegen buiten de ruimten waarin de overige brandbluspompen zijn ondergebracht. Deze plaats moet zodanig zijn dat het niet waarschijnlijk is dat zij in geval van brand in de bedoelde ruimten onbereikbaar wordt.