BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 152
Vissersvaartuigenbesluit
Automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallaties (methode III F) ... 1 Op vaartuigen waar methode III F wordt toegepast, moet een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie van een goedgekeurd type zijn aangebracht, die voldoet aan het bepaalde in dit artikel. Deze installatie moet op zodanige wijze zijn aangebracht, dat de aanwezigheid van brand in alle ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations met uitzondering van ruimten die vrijwel geen brandgevaar opleveren, zoals lege ruimten en sanitaire ruimten, kan worden ontdekt. 2 De installatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn en generlei handeling van de zijde van de bemanning moet nodig zijn om de installatie in werking te stellen. 2 In elke sectie als bedoeld in het derde lid moeten middelen zijn aangebracht voor het automatisch geven van zichtbare en hoorbare alarmsignalen op een of meer alarmpanelen, wanneer een branddetector gaat werken. Deze alarmpanelen moeten een aanwijzing geven in welke door de installatie beschermde sectie zich brand voordoet en moeten zijn gecentraliseerd op de brug en op zodanige andere plaatsen, dat zeker is dat elk alarm van de installatie onmiddellijk door de bemanning wordt opgemerkt. Bovendien moeten voorzieningen zijn aangebracht teneinde zeker te stellen dat een hoorbaar alarmsignaal wordt gegeven op het dek waarop de brand is ontdekt. Een dergelijke alarminstallatie moet zodanig zijn geconstrueerd, dat eventueel in de installatie optredende defecten worden aangegeven. 3 De branddetectors moeten zijn gegroepeerd in afzonderlijke secties, die zich uitstrekken tot niet meer dan 50 ruimten, waarin een dergelijke installatie is aangebracht en die niet meer dan 100 detectors mogen omvatten. De branddetectors moeten op zodanige wijze in zones zijn ondergebracht, dat kan worden aangegeven op welk dek zich brand voordoet. 4 De installatie moet in werking worden gesteld door een abnormale temperatuur van de lucht, door een abnormale rookconcentratie of door andere factoren, die een begin van brand in een te beschermen ruimte aanduiden. De installaties die reageren op de temperatuur van de lucht, mogen niet in werking treden bij een temperatuur van minder dan 57°C en moeten in werking treden bij een temperatuur van niet meer dan 74°C, wanneer de temperatuurstijging tot die waarden niet meer is dan 1°C/min. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan dat in ruimten zoals droogkamers, waar hoge omgevingstemperaturen kunnen worden verwacht, de temperatuur waarbij de installatie in werking treedt, wordt verhoogd tot niet meer dan 30°C boven de maximumtemperatuur bij het plafond. Installaties die reageren op rookconcentratie, moeten in werking treden door de vermindering van de intensiteit van een uitgezonden lichtstraal in een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen mate. Andere even doeltreffende methoden voor inwerkingstelling van de installatie kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aanvaard. De ontdekkingsinstallatie mag niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor brandontdekking. 5 De branddetectors moeten zodanig zijn uitgevoerd dat zij het alarm in werking stellen door hetzij openen of sluiten van contacten, hetzij op een andere doelmatige wijze. Zij moeten hoog in de ruimte zijn geplaatst en op deugdelijke wijze zijn beschermd tegen stoten en mogelijke andere oorzaken van beschadiging. Zij moeten bestand zijn tegen de inwerking van zeelucht. Zij moeten op een open plaats zijn aangebracht, vrij van dekbalken en andere voorwerpen die het toestromen van hete gassen of rook naar het gevoelige element zouden kunnen belemmeren. Detectors die in werking treden door het sluiten van contacten, moeten van een type zijn waarbij de contacten zijn afgesloten van de buitenlucht. Voorzieningen moeten aanwezig zijn om het systeem voortdurend op defecten te kunnen controleren. 6 In elke ruimte waar voorzieningen van brandontdekking zijn vereist, moet ten minste een detector zijn aangebracht, met dien verstande dat voor elke 37 m 2 dekoppervlakte tenminste een detector aanwezig moet zijn. In grote ruimten moeten de detectors zijn aangebracht in een regelmatig patroon, zodat geen enkele detector meer dan 9 m van een andere detector of meer dan 4,5 m van een schot is verwijderd. 7 Ten minste twee krachtbronnen moeten aanwezig zijn voor de elektrische apparatuur, nodig voor het functioneren van de brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie. Een van deze krachtbronnen moet een noodkrachtbron zijn. De voeding moet geschieden door uitsluitend voor dit doel bestemde voedingsleidingen. De voedingsleidingen moeten zijn aangesloten op een omschakelaar in het controlestation voor het brandontdekkingssysteem. De leidingen moeten zodanig zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, ruimten voor machines en andere besloten ruimten met een groot brandrisico lopen, behoudens voor zover dergelijke leidingen nodig zijn voor brandontdekking in deze ruimte of om het betreffende schakelbord te bereiken. 8 Op of bij elk alarmpaneel moeten de door de installatie bestreken ruimten en de ligging van de betreffende zone van het ontdekkingssysteem duidelijk zijn aangegeven. Instructies voor de beproeving moeten aanwezig zijn. 8 Middelen moeten aanwezig zijn waarmede hete lucht of rook op detectors kan worden gericht, teneinde de goede werking daarvan en die van de alarmpanelen te beproeven. 9 Voor elke sectie van de brandontdekkingsinstallatie moet een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te bepalen aantal reserve detectorelementen aan boord aanwezig zijn.