BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 148
Vissersvaartuigenbesluit
Diversen ... 1 Alle blootgestelde oppervlakken in gangen en ingesloten ruimten voor trappen, alsmede oppervlakken, met inbegrip van het daarmee verbonden grondhout, in verborgen of ontoegankelijke plaatsen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben. Blootgestelde oppervlakken van plafonds in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten een laag vlamverspreidend vermogen hebben. 2 Verven, vernissen en andere stoffen voor afwerking gebruikt op blootgestelde inwendige oppervlakken, moeten zodanig zijn dat zij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie geen onnodig brandgevaar opleveren, en mogen geen overmatige hoeveelheden rook of giftige gassen of dampen kunnen voortbrengen. 3 De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moet van goedgekeurd materiaal zijn dat noch gemakkelijk kan ontbranden, noch aanleiding kan geven tot vergiftigings- of explosiegevaar bij verhoogde temperaturen. 4 Wanneer schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn doorboord voor het doorvoeren van elektrische leidingen, pijpen, schachten, kanalen en dergelijke, of voor het aanbrengen van uitmondingen van het ventilatiesysteem, verlichtingsarmaturen en soortgelijke inrichtingen, moeten zodanige maatregelen zijn getroffen dat de brandwerendheid van de schotten of dekken niet vermindert. 5 In ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations moeten pijpen die door schotten of dekken van klasse «A» of «B» zijn gevoerd, van goedgekeurde materialen zijn vervaardigd, rekening houdende met de temperatuur waaraan de betrokken schotten of dekken weerstand moeten kunnen bieden. Indien door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt toegestaan dat door ruimten voor accommodatie en dienstruimten olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd, moeten de pijpen waardoor die olie of brandbare vloeistoffen worden gevoerd van goedgekeurd materiaal zijn vervaardigd, rekening houdende met het brandgevaar. 5 Materialen die gemakkelijk onbruikbaar worden door warmte, mogen niet worden gebruikt voor spuipijpen, sanitaire uitlaten en andere uitlaten, die dicht bij de lastlijn liggen en waarvan smelten, in geval van brand, gevaar voor instromen van water zou meebrengen. 6 Filmmateriaal op basis van cellulosenitraat mag niet in cinematografische installaties worden gebruikt. 7 Afvalbakken, andere dan die worden gebruikt bij de verwerking van vis, moeten zijn vervaardigd van onbrandbare materialen en mogen geen openingen in de zijkanten of bodem hebben. 8 Werktuigen voor de aandrijving van brandstoftrimpompen, pompen van oliestookinrichtingen en dergelijke brandstofpompen moeten zijn voorzien van afstandsbedieningsinrichtingen welke zijn aangebracht buiten de desbetreffende ruimten, zodat bedoelde werktuigen kunnen worden stopgezet bij het uitbreken van brand in de ruimte waarin zij zijn opgesteld. 9 Waar nodig moeten lekbakken zijn aangebracht, teneinde te voorkomen dat olie naar de vullings kan vloeien. 10 Brandbare isolatie in visruimen moet door een goed afsluitende bekleding zijn beschermd.