BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 146
Vissersvaartuigenbesluit
Ventilatiesystemen ... 1 Ventilatiekanalen moeten zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Korte stukken van kanalen die over het algemeen niet langer zijn dan 2 m en waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede niet meer dan 0,02 m 2 bedraagt, behoeven echter niet onbrandbaar te zijn, mits aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: 1°. de kanalen moeten zijn vervaardigd van een materiaal dat slechts in beperkte mate brandgevaarlijk is, dit ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie; 2°. zij mogen alleen worden gebruikt aan het eind van het ventilatiesysteem; en 3°. zij mogen zich, langs het kanaal gemeten, niet minder dan 600 mm vanaf een doorvoering door een schot van klasse «A» of «B», doorlopende plafonds van klasse «B» daaronder begrepen, bevinden. 2 Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten aan weerszijden van schotten of dekken van klasse «A» bedienen, moeten kleppen zijn aangebracht ter voorkoming van verspreiding van vuur en rook van de ene ruimte naar de andere. Handbedienbare kleppen moeten aan beide zijden van het schot of het dek geopend en gesloten kunnen worden. Indien de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van dergelijke schachten of kanalen meer dan 0,075 m 2 bedraagt, moeten automatisch sluitende kleppen zijn aangebracht, die tevens aan beide zijden van het schot met de hand kunnen worden gesloten. De kleppen moeten zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Ter plaatse van schot- en dekdoorvoeringen moeten ventilatieschachten of -kanalen voldoen aan het bepaalde onder 2.2.1 en 2.2.2. 2 Indien ventilatieschachten of -kanalen ruimten bedienen welke alleen aan één zijde van schotten of dekken van klasse «A» zijn gelegen en een dwarsdoorsnede hebben van meer dan 0,02 m 2 , moet aan het volgende zijn voldaan: 1°. in de doorvoeringen voor de kanalen in schotten of dekken van klasse «A» moet een stalen ommantelingskoker zijn aangebracht, tenzij de kanalen ter plaatse van de doorvoeringen van staal zijn. De ommantelingskoker moet een dikte van ten minste 3 mm en een lengte van ten minste 900 mm hebben. Bij doorvoering door een schot verdient het aanbeveling deze lengte gelijkelijk over beide zijden van het schot te verdelen; 2°. de kanalen moeten, indien van toepassing, ter plaatse van de doorvoering zijn voorzien van een brandisolatie. Het aldus geïsoleerde kanaal moet ten minste dezelfde brandwerendheid hebben als het schot of dek waardoor het kanaal is gevoerd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een door hem gelijkwaardig geachte beveiliging van de doorvoering toestaan; 3°. kanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,075 m 2 bedraagt, moeten, in aanvulling op het bepaalde onder 2.2.1 en 2.2.2, zijn voorzien van brandkleppen. De brandklep moet automatisch werkend zijn, doch moet tevens aan beide zijden van het schot of dek met de hand kunnen worden gesloten. De klep moet zijn voorzien van een standaanwijzer die aangeeft of de klep geopend of gesloten is. Brandkleppen zijn echter niet vereist, indien kanalen door ruimten lopen die zijn omsloten door schotten van klasse «A» en die niet door deze kanalen worden bediend, mits deze kanalen dezelfde brandwerendheid hebben als de schotten waar doorheen zij gevoerd worden. 2 Ventilatiekanalen voor ruimten voor machines van categorie A of voor kombuizen mogen over het algemeen niet door ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert. 2 Ventilatiekanalen voor ruimten voor accommodatie, dienstruimten of controlestations mogen over het algemeen niet door ruimten voor machines van categorie A of door kombuizen lopen. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan evenwel toestaan dat deze ventilatiekanalen door de bovengenoemde ruimten lopen, mits zij zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal en zodanig zijn uitgevoerd dat de brandwerendheid van schotten en dekken niet vermindert. 2 Indien ventilatiekanalen waarvan de oppervlakte van de dwarsdoorsnede meer dan 0,02 m 2 bedraagt, door schotten van klasse «B» gaan, moeten de openingen zijn voorzien van stalen ommantelingskokers die een lengte van ten minste 900 mm moeten hebben, tenzij de kanalen over dezelfde lengte ter plaatse van de doorvoering zijn vervaardigd van staal. Deze lengte moet, waar mogelijk, gelijkelijk over beide zijden van het schot van klasse «B» zijn verdeeld. 2 Al het mogelijke moet worden gedaan om te bereiken, dat in controlestations die buiten ruimten voor machines zijn gelegen, ventilatie, zicht en afwezigheid van rook worden gehandhaafd, zodat in geval van brand de werktuigen en toestellen daarin op deugdelijke wijze blijven werken en gecontroleerd kunnen worden. Een extra gescheiden systeem van luchttoevoer moet zijn aangebracht; de inlaatopeningen van de beide systemen van luchttoevoer moeten zo zijn gelegen, dat het gevaar dat zij gelijktijdig rook aanzuigen tot een minimum beperkt blijft. Dergelijke eisen behoeven niet te worden gesteld aan controlestations, gelegen op en uitgang verlenend naar een open dek, of daar waar plaatselijke afsluitmiddelen zijn aangebracht die even doeltreffend zijn, dit ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 2 Indien kokers van afvoerkappen boven fornuizen door ruimten voor accommodatie of ruimten met brandbare materialen lopen, moeten zij zijn geconstrueerd als schotten van klasse «A». Elke afvoerkoker moet zijn uitgerust met: 1°. een vetvanger die gemakkelijk kan worden verwijderd voor reiniging; 2°. een brandklep in het onderste deel van de koker; 3°. een inrichting die vanuit het kombuis kan worden bediend voor het stoppen van de afzuigventilator; en 4°. een vast aangebrachte inrichting om een brand in de koker te blussen, tenzij naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aanbrengen van een dergelijke inrichting op een vaartuig, waarvan de lengte minder dan 75 m bedraagt, niet praktisch uitvoerbaar is. 3 De hoofdin- en uitlaten van alle ventilatiesystemen moeten buiten de ruimten die worden geventileerd, kunnen worden gesloten. Toestellen voor mechanische ventilatie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten, controlestations en ruimten voor machines moeten vanaf een gemakkelijk bereikbare plaats buiten de ruimten die zij bedienen, kunnen worden gestopt. Deze plaats moet zodanig zijn gelegen dat die niet gemakkelijk onbereikbaar wordt in geval van brand in de ruimten die worden bediend. De inrichting waarmee de toestellen voor mechanische ventilatie van de ruimten voor machines kunnen worden gestopt, moet geheel gescheiden zijn van die, waarmee de ventilatie van andere ruimten kan worden gestopt. 4 Middelen moeten aanwezig zijn om de ringvormige ruimten rond schoorstenen vanaf een veilige plaats te kunnen sluiten. 5 Ventilatiesystemen die ruimten voor machines bedienen, moeten onafhankelijk zijn van systemen die andere ruimten bedienen. 6 Bergplaatsen waarin zich aanzienlijke hoeveelheden gemakkelijk ontvlambare stoffen bevinden, moeten zijn voorzien van ventilatie-inrichtingen die gescheiden zijn van andere ventilatiesystemen. De ventilatie moet plaatsvinden op hoog en op laag niveau. De in- en uitlaten van de ventilatoren moeten op een veilige plaats zijn aangebracht en zijn voorzien van vlamkerende inrichtingen.