BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 144
Vissersvaartuigenbesluit
Brandwerendheid van schotten en dekken ... 1 Behalve dat moet zijn voldaan aan de specifieke bepalingen voor brandwerendheid van schotten en dekken die elders in deze paragraaf worden voorgeschreven, moet de brandwerendheid van schotten en dekken ten minste zijn zoals voorgeschreven in tabel 1 en tabel 2 van het tweede lid. 2 De toepassing van de tabellen wordt geregeld door de volgende bepalingen: 1°. de tabellen 1 en 2 zijn onderscheidenlijk van toepassing op schotten en dekken welke aan elkaar grenzende ruimten scheiden; en 2°. ter bepaling van de passende normen voor de brandwerendheid die moeten worden aangelegd voor schotten en dekken tussen aan elkaar grenzende ruimten, zijn deze ruimten ingedeeld op grond van hun brandrisico als hieronder is aangegeven, waarbij het tussen haken geplaatste nummer dat achter elke categorie vermeld staat, naar de desbetreffende kolom of rij in de tabellen verwijst: 2.1. Controlestations (1) Ruimten waarin de noodkrachtbronnen en de voorzieningen voor de noodverlichting zijn ondergebracht; stuurhuis en kaartenkamer; ruimten waarin de radio-installatie van het vaartuig is ondergebracht; ruimten ten behoeve van brandblussing, stations voor brandcontrole en brandmelding; controleruimte voor de voortstuwingsinstallatie indien gelegen buiten de ruimten voor machines; ruimten waarin de brandalarmeringsapparatuur bijeen is gebracht. 2.2. Gangen (2) Gangen en portalen. 2.3. Ruimten voor accommodatie (3) Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 59, met uitzondering van gangen. 2.4. Trappen (4) Binnentrappen, liften en roltrappen, andere dan die welke geheel binnen de ruimten voor machines liggen, zomede de bijbehorende ingesloten ruimten. In dit verband dient een trap die slechts op één niveau is ingesloten, te worden beschouwd als een deel van de ruimte waarin hij niet door een brandwerende deur is gescheiden. 2.5. Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5) Bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van minder dan 2 m 2 , droogkamers en wasserijen. 2.6. Ruimten voor machines van categorie A (6) Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 63. 2.7. Andere ruimten voor machines (7) Ruimten zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, onder 64, alsmede ruimten waar vis tot vismeel wordt verwerkt, doch met uitzondering van ruimten voor machines van categorie A. 2.8. Laadruimten (8) Alle ruimten die gebruikt worden voor lading, met inbegrip van lading-olietanks alsmede schachten en luikhoofden van zodanige ruimten. 2.9. Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9) Kombuizen, pantries die voorzien zijn van kooktoestellen, verfhutten, lampenhutten, bergkasten en bergplaatsen die een oppervlakte hebben van 2 m 2 of meer, alsmede werkplaatsen die geen deel uitmaken van de ruimten voor machines. 2.10. Open dekken (10) Open dekruimten en gesloten wandelgangen, ruimten waar vis in rauwe staat wordt verwerkt, ruimten waar vis wordt schoongespoeld en soortgelijke ruimten die niet brandgevaarlijk zijn; luchtruimten buiten de bovenbouwen en dekhuizen. Tabel 1 Brandwerendheid van schotten die aan elkaar grenzende ruimten scheiden Ruimten (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9) (10) Controlestations (1) A-0 (e) A-0 A-60 A-0 A-15 A-60 A-15 A-60 A-60 (∗) Gangen (2) C B-0 B-0 B-0 A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) Ruimten voor accommodatie (3) C (a,b) B-0 B-0 A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) A-0 (c) Trappen (4) B-0 B-0 A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) A-0 (c) A-0 (c) Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5) C A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) Ruimten voor machines van categorie A (6) (∗) A-0 A-0 A-60 (∗) Andere ruimten voor machines (7) A-0 (d) A-0 A-0 (∗) Laadruimten (8) (∗) A-0 (∗) Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9) A-0 (d) (∗) Open dekken (10) - Tabel 2 Brandwerendheid van dekken die aan elkaar grenzende ruimten scheiden Ruimte onder Ruimte boven (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7) (8) (9) (10) Controle stations (1) A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) Gangen (2) A-0 (∗) (∗) A-0 (∗) A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) Ruimten voor accommodatie (3) A-60 A-0 (∗) A-0 (∗) A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) Trappen (4) A-0 A-0 A-0 (∗) A-0 A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) Dienstruimten die in geringe mate brandgevaarlijk zijn (5) A-15 A-0 A-0 A-0 (∗) A-60 A-0 A-0 A-0 (∗) Ruimten voor machines van categorie A (6) A-60 A-60 A-60 A-60 A-60 (∗) A-60 A-30 A-60 (∗) Andere ruimten voor machines (7) A-15 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 (∗) A-0 A-0 (∗) Laadruimten (8) A-60 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 (∗) A-0 (∗) Dienstruimten die in hoge mate brandgevaarlijk zijn (9) A-60 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 A-0 (d) (∗) Open dekken (10) (∗) (∗) (∗) (∗) (∗) (∗) (∗) (∗) (∗) - Noten: Onderstaande noten gelden, voorzover van toepassing, voor zowel tabel 1 als tabel 2. (a) Bij de brandbescherming volgens methode II F en III F worden geen bijzondere eisen aan deze schotten gesteld. (b) Bij de toepassing van methode III F moeten schotten van klasse «B-0» zijn aangebracht tussen ruimten of groepen van ruimten met een oppervlakte van 50 m 2 of meer. (c) Ter verduidelijking van hetgeen van toepassing is, zie de artikelen 141 en 142. (d) Indien ruimten onder dezelfde nummercategorie vallen en de letter (d) staat vermeld, wordt het schot of dek met een brandwerendheid zoals aangegeven in de tabellen, alleen geëist indien de aan elkaar grenzende ruimten voor verschillende doeleinden dienen, zoals bijvoorbeeld in categorie (9). Indien twee kombuizen aan elkaar grenzen, worden aan het schot geen eisen gesteld, doch indien een kombuis aan een verfhut grenst, is een schot van klasse «A-0» vereist. (e) Schotten die het stuurhuis, de kaartenkamer en de radiohut van elkaar scheiden, mogen schotten van klasse «B-0» zijn. (∗) Wanneer een sterretje in de tabellen staat vermeld, moet het scheidingsschot of -dek van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, doch het behoeft niet van klasse «A» te zijn. 3 Doorlopende plafonds of beschietingen van klasse «B» kunnen, te zamen met de desbetreffende dekken of schotten, worden aanvaard als een volledige of gedeeltelijke bijdrage tot de vereiste isolatie en brandwerendheid van een afscheiding. 4 Voor ruimten voor machines geldt ten aanzien van schijnlichten, ramen, patrijspoorten en lichtranden het volgende: 1°. wanneer schijnlichten kunnen worden geopend, moeten zij van buiten de ruimte waarop zij zijn aangebracht, gemakkelijk kunnen worden gesloten; 2°. schijnlichten voor ruimten voor machines van categorie A mogen niet zijn voorzien van ramen, patrijspoorten of lichtranden; 3°. indien in schijnlichten voor ruimten voor machines, andere dan ruimten voor machines van categorie A, ramen, patrijspoorten of lichtranden zijn aangebracht, moeten deze van draadglas zijn. Zij moeten tevens aan de buitenzijde zijn voorzien van blinden die vast aan het schijnlicht zijn verbonden en die zijn vervaardigd van staal of ander, gelijkwaardig materiaal; en 4°. glas of soortgelijk materiaal mag niet in begrenzingsschotten van ruimten voor machines zijn aangebracht. Dit sluit het gebruik van glas in wanden van controlekamers die geheel in de ruimten voor machines zijn gelegen, niet uit. 5 In de buitenste begrenzingswanden die ingevolge het bepaalde in artikel 140, eerste lid, van staal of ander, gelijkwaardig materiaal moeten zijn, mogen ramen en patrijspoorten zijn aangebracht, mits niet elders in deze paragraaf is voorgeschreven dat zodanige begrenzingswanden een brandwerendheid van klasse «A» moeten hebben. Evenzo mogen deuren in dergelijke begrenzingswanden die geen brandwerendheid van klasse «A» behoeven te hebben, zijn vervaardigd van materialen die ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.