BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 136
Vissersvaartuigenbesluit
Alarminstallatie ... 1 Een alarminstallaties moet zijn aangebracht die elke storing welke verholpen dient te worden, aangeeft. 2 De alarminstallatie moet in de ruimte voor machines een hoorbaar alarmsignaal kunnen geven en moet elke afzonderlijke alarmfunctie op een doelmatige plaats zichtbaar aangeven. Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie toestaan dat de installatie elke afzonderlijke alarmfunctie alleen op de brug hoorbaar en zichtbaar aangeeft. 2 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet de alarminstallatie verbonden kunnen worden met de hutten van de werktuigkundigen door middel van een keuzeschakelaar naar elke hut en met het dagverblijf van de werktuigkundigen, indien aanwezig. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan andere voorzieningen toestaan die dezelfde veiligheid waarborgen. 2 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt, moet een algemeen werktuigkundigenalarm en een alarm op de brug, bestemd voor de personen die de wacht houden, in werking treden, indien op enige alarmfunctie geen acht is geslagen binnen een tijdsverloop dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet zijn. 2 Op de brug moeten hoorbare en zichtbare alarmen in werking treden in elke situatie die onder de aandacht moet worden gebracht van de verantwoordelijke wachtdoende persoon, dan wel waarin deze handelend dient op te treden. 2 De alarminstallatie moet zoveel mogelijk zijn ontworpen volgens een principe dat het optreden van fouten uitsluit. 3 De alarminstallatie moet: 1°. ononderbroken gevoed worden; ingeval de normale voeding wegvalt moet de installatie automatisch overschakelen op een noodvoeding; en 2°. alarmeren ingeval een storing in de normale voeding optreedt. 4 De alarminstallatie moet tegelijkertijd meer dan één storing kunnen aangeven. Het accepteren van een alarm mag het doorkomen van een ander alarm niet verhinderen. 5 Acceptatie van iedere alarmtoestand op de plaatsen als bedoeld in het tweede lid, onder 1, moet worden aangegeven op de plaatsen waar de alarmtoestand werd gemeld. Een alarmtoestand moet gehandhaafd blijven totdat deze is geaccepteerd, terwijl de zichtbare aanduidingen van afzonderlijke alarmen zichtbaar moeten blijven totdat de storing verholpen is, waarna het alarmsysteem automatisch moet terugkeren in de normale bedrijfstoestand