BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 129
Vissersvaartuigenbesluit
Soort en aanleg van elektrische leidingen ... 1 Leidingen moeten wat betreft de constructie en samenstelling voldoen aan de voorschriften van een klassebureau. De voorschriften van dit bureau dienen eveneens te worden gevolgd bij de keuze van het leidingtype en met betrekking tot de wijze van aanbrengen, een en ander voor zover in deze paragraaf geen afwijkende voorschriften zijn gegeven. 2 Behalve daar waar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in bijzondere omstandigheden zulks anders toestaat, moeten alle metalen omhulsels en afschermingen van elektrische leidingen ononderbroken zijn en zijn geaard. 3 Alle elektrische leidingen en uitwendige bedrading naar uitrustingen moeten ten minste van het brandvertragende type zijn en zo zijn aangebracht dat hun oorspronkelijke brandvertragende eigenschappen niet worden aangetast. Indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het gebruik toestaan van speciale kabeltypen, zoals hoogfrequent kabels, die niet voldoen aan het voorafgaande. 4 Leidingen of bedradingen ten behoeve van essentiële of noodkracht-installaties, verlichting en interne communicatie of signaalinrichtingen moeten, voor zover uitvoerbaar, zo zijn aangelegd dat zij niet door kombuizen, wasserijen, ruimten voor machines van categorie A, andere ruimten met groot brandrisico en ruimten waar de vis wordt behandeld en verwerkt, lopen. Onverminderd het bepaalde in artikel 108, tweede lid, moeten verbindingskabels tussen het noodschakelbord en de noodbrandbluspomp, die door ruimten lopen met een groot brandrisico van het brandwerend type zijn. Waar mogelijk moeten al deze kabels op zodanige wijze zijn gelegd dat buiten bedrijf raken door opwarming van schotten, veroorzaakt door een brand in een aangrenzende ruimte, wordt voorkomen. 5 Elektrische leidingen en bedrading moeten zodanig zijn aangebracht, dat beschadiging door schavielen of anderszins wordt voorkomen. 6 De aansluitingen en aftakkingen van elke leiding moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat de oorspronkelijke elektrische, mechanische, brandvertragende en waar nodig brandwerende eigenschappen van de leiding behouden blijven. 7 Leidingen die in koelruimten zijn aangebracht moeten geschikt zijn voor gebruik bij lage temperaturen en bij een hoge vochtigheidsgraad.