BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 112
Vissersvaartuigenbesluit
Elektrische noodkrachtbron aan boord van vaartuigen waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt. ... 1 Aan boord van een vaartuig waarvan de lengte 45 m of meer bedraagt moet zijn voorzien in een onafhankelijk werkende elektrische noodkrachtbron. 1 De elektrische noodkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, de tijdelijke elektrische noodkrachtbron, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord moeten boven het bovenste doorlopende dek zijn opgesteld. Zij mogen niet voor het aanvaringsschot zijn geplaatst, echter in bijzondere gevallen kan door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing worden verleend. 1 De elektrische noodkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, de tijdelijke elektrische noodkrachtbron, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord, moeten ten opzichte van de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren en het hoofdschakelbord zodanig zijn opgesteld dat de voeding, de bediening en de verdeling van de elektrische energie van de noodkrachtbron niet kunnen worden beïnvloed door een brand of ander ongeval in de ruimte waar de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren en het hoofdschakelbord zijn opgesteld of in een ruimte voor machines van categorie A, zulks ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. 2 Het beschikbare elektrische vermogen moet voldoende zijn om de stroom te kunnen leveren aan al die diensten welke in geval van nood belangrijk zijn voor de veiligheid, waarbij rekening moet worden gehouden met die diensten die gelijktijdig in bedrijf moeten kunnen zijn. De elektrische noodkrachtbron moet in staat zijn om, rekening houdend met startstromen en inschakelverschijnselen van bepaalde verbruikers, gelijktijdig, gedurende de hierna aangegeven tijd, de stroom te kunnen leveren aan ten minste de volgende diensten, voor zover deze voor hun werking afhankelijk zijn van een elektrische krachtbron: 1°. gedurende 3 uur de noodverlichting bij elke verzamelplaats en, zowel aan dek als buitenboord, bij elke inschepingsplaats waar de groepsreddingmiddelen zijn opgesteld, als voorgeschreven ingevolge het bepaalde in de artikelen 202, vierde lid, en 206, zevende lid; 2°. gedurende 6 uur de noodverlichting; 2.1. in alle dienst- en accommodatiegangen, bij alle trappen en uitgangen, en in liftkooien en schachten van liften met betreedbare kooi; 2.2. in ruimten voor machines en hoofdgeneratorstations, inclusief hun bedieningsplaatsen; 2.3. in alle controlestations, machine-controlekamers en bij elk hoofd- en noodschakelbord; 2.4. bij alle bergplaatsen van brandweeruitrustingen; 2.5. bij de stuurinrichting; 2.6. bij de noodbrandbluspomp, indien aanwezig, bij de sprinklerpomp, indien aanwezig, en op de plaatsen waar de bij die pompen behorende motoren kunnen worden ingeschakeld; 2.7. bij magnetische kompassen; 2.8. bij peilglazen van stoomketels; 2.9. in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik; 2.10. bij de centrale bedieningsplaatsen van vast aangebrachte brandblusinstallaties; en 2.11. in de ruimten waar de vis wordt behandeld en verwerkt; 3°. gedurende 6 uur de navigatielichten en andere lichten vereist volgens de van kracht zijnde bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee; 4°. gedurende 6 uur: 4.1. alle interne communicatiemiddelen welke in geval van nood noodzakelijk zijn, zoals de rechtstreekse spreekverbindingen, bedoeld in artikel 81, vierde lid, en artikel 135 en het nood-communicatiesysteem indien dit vast is aangebracht, bedoeld in artikel 239, eerste lid; 4.2. de brandontdekkings- en brandalarminstallatie; 4.3. het intermitterend gebruik van de dagseinlamp, de middelen tot het geven van geluidsseinen indien elektrisch uitgevoerd of elektrisch te bedienen en alle interne signaleringen welke in geval van nood zijn vereist; en 4.4. de algemeen alarminstallatie en de omroepinstallatie, bedoeld in artikel 239, tweede lid, de alarminstallatie voor de vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof en de alarminstallatie van liften met betreedbare kooi, tenzij deze diensten worden gevoed door een onafhankelijke stroombron bestaande uit een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit voor een periode van 6 uur, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats; 5°. gedurende 3 uur de noodbrandbluspomp als bedoeld in artikel 108, eerste lid, indien de elektrische krachtbron hiervoor afhankelijk is van de noodgenerator. 3 De elektrische noodkrachtbron mag hetzij een generator hetzij een accumulatorenbatterij zijn, die aan de volgende voorwaarden moet voldoen: 1°. indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, dan moet deze: 1.1. aangedreven worden door een daartoe geschikte werktuiglijke inrichting, voorzien van een onafhankelijke brandstofvoeding en van een goedgekeurd aanzetsysteem en waarbij het vlampunt van de te gebruiken brandstof niet lager is dan 43°C; 1.2. automatisch starten bij het uitvallen van de elektrische voeding, vanaf de elektrische hoofdkrachtbron, tenzij is voorzien in een tijdelijke noodkrachtbron als bedoeld onder 1.3. Indien de noodgenerator automatisch wordt gestart moet deze automatisch op het noodschakelbord worden geschakeld. De diensten welke genoemd zijn in het vierde lid moeten dan automatisch op de noodgenerator worden geschakeld. Tenzij in een tweede onafhankelijke aanzetinrichting voor de noodgenerator is voorzien, moet de enige bron met geaccumuleerde energie worden beveiligd tegen volledige uitputting door de automatische aanzetinrichting; en 1.3. voorzien zijn van een tijdelijke elektrische noodkrachtbron zoals omschreven in het vierde lid tenzij er een noodgenerator aanwezig is die in staat is om de stroom te leveren voor de in dat artikel genoemde diensten en in staat is om automatisch te starten en zo snel als veilig en praktisch mogelijk is de benodigde stroom te leveren, zulks echter binnen ten hoogste 45 seconden; 2°. indien de elektrische noodkrachtbron een accumulatorenbatterij is, moet deze in staat zijn: 2.1. zonder wederoplading de noodbelasting op te nemen, waarbij gedurende de gehele ontlaadperiode de spanning van de accumulatorenbatterij binnen 12 percent boven of onder zijn nominale spanning blijft; 2.2. automatisch op het noodschakelbord te schakelen bij uitvallen van de elektrische hoofdvoeding; en 2.3. onmiddellijk de stroom te leveren aan ten minste de in het vierde lid genoemde diensten. 4 De tijdelijke elektrische noodkrachtbron, indien vereist volgens het derde lid, onder 1.3, dient te bestaan uit een accumulatorenbatterij, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats, van voldoende capaciteit om zonder wederopladen te kunnen werken, waarbij gedurende de gehele ontlaadperiode de spanning binnen 12 percent boven of onder zijn nominale spanning blijft, en zodanig ingericht dat bij uitvallen van hetzij de elektrische hoofd- hetzij de elektrische noodkrachtbron automatisch ten minste de volgende diensten gedurende een half uur van stroom worden voorzien, voor zover deze voor hun werking afhankelijk zijn van een elektrische krachtbron: 1°. de verlichting vereist volgens het tweede lid, onder 1 tot en met 3. Voor de overgangsfase mag ten aanzien van de vereiste elektrische noodverlichting in ruimten voor machines, in ruimten voor accommodatie en in dienstruimten gebruik worden gemaakt van vast aangebrachte, afzonderlijke, automatische ladende, relais bediende verlichting die wordt gevoed door een accumulator; en 2°. alle diensten vereist volgens het tweede lid, onder 4.1 tot en met 4.4, tenzij deze diensten onafhankelijk worden gevoed door een accumulatorenbatterij met een capaciteit voor de aangegeven tijdsduur, opgesteld op een voor noodgebruik geschikte plaats. 5 Het noodschakelbord moet zo dicht als praktisch mogelijk bij de elektrische noodkrachtbron zijn opgesteld. 5 Indien de elektrische noodkrachtbron een generator is, moet het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn opgesteld tenzij de werking daardoor nadelig zou worden beïnvloed. 5 Accumulatorenbatterijen die ingevolge dit artikel aanwezig moeten zijn, mogen niet met het noodschakelbord in dezelfde ruimte zijn geplaatst. Op een daartoe geschikte plaats op het hoofdschakelbord of in de machine-controlekamer moet een aanwijsinrichting zijn aangebracht die aangeeft wanneer de accumulatoren-batterijen, zijnde de elektrische noodkrachtbron of de tijdelijke elektrische noodkrachtbron als bedoeld in het derde lid onder 2, of het vierde lid, in ontlading zijn. 5 Het noodschakelbord moet bij normaal bedrijf via een koppelkabel die in het hoofdschakelbord doelmatig tegen overbelasting en kortsluiting moet zijn beveiligd, worden gevoed vanaf het hoofdschakelbord en automatisch worden ontkoppeld op het noodschakelbord bij het uitvallen van de elektrische hoofdvoeding. Indien het systeem is ingericht voor een bedrijf met terugvoedmogelijkheid, dan moet de koppelkabel ook in het noodschakelbord tegen ten minste kortsluiting zijn beveiligd. 6 De noodgenerator en zijn aandrijvend werktuig, en elke noodaccumulatorenbatterij moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld dat hun goede werking bij hun nominaal vermogen is verzekerd bij rechtliggend vaartuig en bij elke slagzijhoek tot 22½ graad of bij een trimhoek voor- of achterover tot 10 graden of bij enige combinatie van hellinghoeken binnen genoemde grenzen. 7 Voorzieningen moeten zijn aangebracht voor het periodiek testen van de gehele noodinstallatie inclusief het testen van de automatische aanzetinrichting.