BWBR0004607
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 102
Vissersvaartuigenbesluit
Elektrische hoofdkrachtbron ... 1 Elk vaartuig waarvoor elektrische energie het enig middel vormt tot het onderhouden van de voor de voortstuwing en de veiligheid van het vaartuig onontbeerlijke hulpdiensten, moet van een elektrische hoofdkrachtbron zijn voorzien. Deze hoofdkrachtbron moet ten minste bestaan uit twee generatoraggregaten, waarbij een van de generatoren door het hoofdvoortstuwingswerktuig mag worden aangedreven. 2 Het vermogen van de generatoren, bedoeld in het voorgaande lid, moet zodanig zijn dat, met uitzondering van het vermogen dat benodigd is voor het vissen, de verwerking en het conserveren van de vangst, de goede werking van de diensten, bedoeld in artikel 74, elfde lid, onder 1, wordt verzekerd, indien een generatoraggregaat buiten bedrijf is geraakt. Voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt, behoeven bij het in ongerede raken van een van de generatoraggregaten slechts de noodzakelijke hulpdiensten voor de voortstuwing, de besturing en de veiligheid van het vaartuig te zijn gewaarborgd. 3 Indien de elektrische energievoorziening in de regel door meer dan één generator in parallelbedrijf wordt verzorgd, moeten voorzieningen zijn getroffen, zoals door middel van het afschakelen van minder belangrijke groepen, teneinde te waarborgen dat in het geval één van deze generatoren uitvalt, de overige generatoren in dienst blijven zonder dat overbelasting optreedt, teneinde de voortstuwing en de besturing van het vaartuig te kunnen behouden en de veiligheid van het vaartuig te waarborgen. 4 De elektrische hoofdkrachtbron van het vaartuig moet zodanig zijn ingericht dat de diensten genoemd in artikel 74, elfde lid, onder 1, kunnen worden gehandhaafd, ongeacht het toerental en de draairichting van het voortstuwingswerktuig of de schroefas. 5 Indien transformatoren een essentieel onderdeel vormen van de volgens deze paragraaf vereiste stroomvoorziening, moeten deze zodanig zijn ingericht dat dezelfde continuïteit van de stroomvoorziening bedoeld in het tweede lid, verzekerd is. 6 De elektrische hoofdverlichtingsinstallatie moet zodanig zijn ingericht dat een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waarin de elektrische hoofdkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, het hoofdschakelbord en het hoofdverlichtingsschakelbord zijn opgesteld, niet de noodverlichtingsinstallatie als vereist in de artikelen 112, tweede lid, en 113, tweede lid, buiten werking stelt. 7 De noodverlichtingsinstallatie moet zodanig zijn ingericht dat een brand of ander ongeval in de ruimte of ruimten waarin de elektrische noodkrachtbron, inclusief eventuele transformatoren, het noodschakelbord en het noodverlichtingsschakelbord is opgesteld, niet de hoofdverlichtingsinstallatie buiten werking stelt.