1. De eigenaar van een waterleidingbedrijf neemt voor de instandhouding van de openbare drinkwatervoorziening in buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 14 avan de wet, in ieder geval de maatregelen die in de bij dit besluit behorende bijlage zijn aangegeven, in overeenstemming met een beschermingsplan als bedoeld in artikel 3, waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven.
2. De eigenaar vormt een beschermingsorganisatie en houdt deze vervolgens in stand. Hij wijst het hoofd van deze beschermingsorganisatie aan.
De eigenaar van een waterleidingbedrijf draagt zorg voor de vaststelling van een beschermingsplan. In het plan worden in ieder geval aangegeven:
a. het tijdstip waarop elk van de in de bij dit besluit behorende bijlage aangegeven maatregelen zal zijn uitgevoerd;
b. de taak van de beschermingsorganisatie en de taakverdeling in deze organisatie.
1. Binnen vier weken na de vaststelling van het beschermingsplan dient de eigenaar van het waterleidingbedrijf het in bij Onze Minister.
2. Hij verstrekt op verzoek van Onze Minister de gegevens, die deze nodig heeft om het beschermingsplan te kunnen beoordelen.
1. Het beschermingsplan behoeft een verklaring van geen bezwaar van Onze Minister.
2. De afgifte van de verklaring van geen bezwaar wordt slechts geweigerd, indien het beschermingsplan naar het oordeel van Onze Minister niet voorziet in een redelijke bescherming van de openbare drinkwatervoorziening door het betrokken waterleidingbedrijf.
3. Onze Minister doet van de afgifte van de verklaring van geen bezwaar of de weigering ervan schriftelijk mededeling aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken, alsmede aan burgemeester en wethouders van de gemeenten in het voorzieningsgebied van het betrokken waterleidingbedrijf.
1. In het geval van weigering van de verklaring wijzigt de eigenaar het plan binnen een door Onze Minister aan te geven termijn met inachtneming van de door deze gemaakte opmerkingen.
2. Hij dient het plan binnen vier weken na wijziging in bij Onze Minister.
3. De artikelen 4, tweede lid, en 5zijn van toepassing.
1. Indien de eigenaar van een waterleidingbedrijf van oordeel is dat het beschermingsplan waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven, niet langer voorziet in een redelijke bescherming van de openbare drinkwatervoorziening door het betrokken waterleidingbedrijf, wijzigt hij het plan.
2. De artikelen 4, tweede lid, 5en 6, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister een beschermingsplan, waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven, niet langer voorziet in een redelijke bescherming van de openbare drinkwatervoorziening door het betrokken waterleidingbedrijf, kan hij de eigenaar opdragen het plan binnen een door hem aan te geven termijn te wijzigen.
2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken alsmede burgemeester en wethouders van de gemeenten in het voorzieningsgebied van het betrokken waterleidingbedrijf worden schriftelijk in kennis gesteld van dit besluit.
3. De eigenaar van het waterleidingbedrijf wijzigt het beschermingsplan met inachtneming van de door Onze Minister gemaakte opmerkingen.
4. De artikelen 4, tweede lid, 5en 6, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.
1. Het Besluit bescherming waterleidingbedrijven ( Stb.1963, 381) wordt ingetrokken.
2. Beschermingsplannen waarvoor op grond van het in het eerste lid genoemde besluit een verklaring van geen bezwaar is afgegeven, worden gelijkgesteld met plannen die overeenkomstig dit besluit tot stand zijn gekomen.
3. Beschermingsorganisaties die tot stand zijn gekomen op grond van het in het eerste lid bedoelde besluit, worden gelijkgesteld met organisaties die overeenkomstig dit besluit zijn gevormd.