1. De aanspraken van de in artikel 5bedoelde personen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (
Stb.1986, 540) vervallen met ingang van het tijdstip van ontslag van deze personen uit de dienst bij het Rijk. Hetzelfde geldt voor de met de betrokken aanspraken corresponderende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens de betrokken personen.
2. De directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt een deel van het vermogen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds over aan een door Zeehaven IJmuiden N.V. aan te wijzen instelling als bedoeld in
artikel 1, eerste lid onder b of c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet(
Stb.1981, 18), waarbij, conform artikel 4, tweede lid, van de op 13 juni 1988 gesloten overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden, Zeehaven IJmuiden N.V. i.o. en het Waterleidingbedrijf Zuid-Kennemerland, de pensioenvoorzieningen voor de in artikel 5bedoelde personen worden ondergebracht. Het over te dragen bedrag wordt door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, na overleg met een actuaris, vastgesteld.