1. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau op een bepaalde plaats buiten een woning of ander geluidsgevoelig gebouw ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een spoorweg, wordt rekening gehouden met:
a. de emissiegegevens, zoals vastgelegd in het emissieregister, bedoeld in artikel 2a, van de emissietrajecten die voor de desbetreffende locatie relevant zijn;
b. de verzwakking van het geluid ten gevolge van de geometrische uitbreiding van het geluidsveld;
c. de verzwakking van het geluid door absorptie van geluidenergie in de atmosfeer;
d. de invloed van de bodem op de geluidoverdracht;
e. de meteorologische invloeden van de geluidoverdracht.
2. Bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau wordt, afhankelijk van de situatie, bovendien rekening gehouden met de effecten op de geluidoverdracht, die het gevolg zijn van een of meer:
a. reflecties van het geluid;
b. afscherming van het greluid.
3. Indien het equivalente geluidsniveau wordt bepaald ter plaatse van de gevel van een woning of andere geluidsgevoelig gebouw, wordt slechts rekening gehouden met het op de gevel invallend geluid.
4. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, na overleg met de instanties die op de desbetreffende locatie de infrastructuur en het gebruik daarvan beheren, afwijking toestaan van het eerste lid, onder a, indien de daar bedoelde gegevens onvoldoende representatief zijn.